Telwoorden zijn vreemd

Door Marc van Oostendorp

Leeftijd waarop een woord wordt geleerd (in jaar), afgezet tegen de frequentie waarmee het woord voorkomt. Bron: Philosophical Transactions of the Royal Society B.

De namen van getallen zijn opvallend traag. Dat is de conclusie van een nieuw onderzoek dat verscheen in Philosophical Transactions of the Royal Society B (Biology)De auteurs, beide evolutiebioloog, laten zien dat telwoorden (een, twee, drie, vier, enz.) minder snel veranderen dan andere woorden. In verwante talen lijken ze, gemiddeld genomen, meer op elkaar dan andere woorden: un, deux, trois, quattre, enz. staan dichter bij hun equivalenten in het Nederlands, dan laten we zeggen homme, main, arbre, dormir, ook al zijn die woorden ook al heel oud, en verwijzen ze sinds onheuglijke tijden naar alledaagse begrippen uit het leven van alle mensen.

Het geldt, blijkens het onderzoek, ook niet alleen voor Europese talen: ook in Bantoe-talen (zuidelijk Afrika) en Pama-Nyungan (Australië) bleken (rang)telwoorden (3,5 tot 20 keer) trager te veranderen dan andere woorden.

De auteurs bespreken ook drie mogelijke verklaringen voor dit verschil. De eerste is dat telwoorden al een kleine fonetische ruimte beslaan. Dat wil zeggen: ze zijn kort en aan korte woorden valt meestal niet zo veel te veranderen zonder dat ze te veel gaan lijken op een ander woord. Haal van drie de r weg, en je krijgt die, haal de d weg en je krijgt Rie. Verander de ie in een ee en je krijgt Dré. Lange woorden hebben meestal veel meer ruimte om te veranderen: van encyclopedie kun je zo’n beetje iedere medeklinker veranderen of weglaten zonder dat het op een woord begint te lijken. (Het is om die reden ook niet raadzaam om al te lange woorden te kiezen als je galgje speelt. Bij korte woorden komt het er veel meer op aan dat je iedere letter goed hebt.)

Paar

Dat kan een deel van de verklaring zijn, maar het verschuift het raadsel natuurlijk ook alleen maar: waarom zijn die telwoorden dan zo kort?

Ook een tweede verklaring geeft maar een deeltje van de puzzel: telwoorden hebben een veel preciezere, nauwer omschreven betekenis dan andere woorden. Tweedrie en dergelijke zijn allesbehalve vaag. Vage woorden hebben eerder de neiging aan de wandel te gaan: en zo kan het woord voor man ook het woord voor mens worden, of omgekeerd. En in ieder geval moet er iets aan de vorm veranderen om allebei de woorden uit elkaar te kunnen blijven houden.

Maar ook hier is uiteindelijk dan toch weer de vraag: waarom zijn we veel minder geneigd telwoorden metaforisch te gebruiken dan andere woorden? Waarom kan paar wel  ‘een klein aantal’ betekenen, maar twee niet zo snel?

Kinderen

De derde verklaring ligt misschien het meest in de buurt, in die zin dat hij ook licht zou kunnen werpen op de andere twee: onze hersenen gaan op een andere manier om met telwoorden dan met andere woorden. De auteurs geven helaas niet zo veel bewijs voor die stelling als je zou willen – geen kaart van de hersenen met een pijltje ‘hier zitten de telwoorden’ – maar ze laten bijvoorbeeld wel zien dat kinderen telwoorden in een ander tempo leren: relatief snel.

Dit wordt afgebeeld op de figuur hierboven. Er is (logischerwijs) een relatie tussen de frequentie waarmee een woord voorkomt en de leeftijd waarop een kind het leert: hoe frequenter een woord, hoe groter de kans dat een kind het op jonge leeftijd tegenkomt. Maar jonge kinderen leren de (lage) telwoorden veel sneller dan je op basis van alleen hun frequentie zou kunnen verwachten.

Rekenkunde

Het is wel jammer dat de auteurs geen taalkundigen zijn. Anders hadden ze misschien geweten dat telwoorden ook anderszins vaak uitzonderlijk zijn. In het Nederlands kunnen lange klinkers bijvoorbeeld nooit gevolgd worden door ingewikkelde groepen medeklinkers zoals lf (de enige medeklinkerclusters die zijn toegestaan na een lange klinker eindigen op een s en/of een t: paars, paard, koorts). De enige uitzondering is twaalf. In het Frans hebben sommige woorden een medeklinker die soms wel wordt uitgesproken en soms niet: wel voor een klinker (petit ami), niet voor een medeklinker (petit camerade) of aan het eind van een zin (il est petit). De uitzondering is dix waarvan de slotmedeklinker niet wordt uitgesproken voor een medeklinker (dix camerades) maar wel aan het eind van een zin (il y en a dix). Telwoorden zitten dus niet alleen in een nauwe fonetische ruimte, maar ook een enigszins bijzondere.

En er is natuurlijk nóg iets bijzonders aan telnamen, namelijk dat ze een systeempje op zichzelf vormen. Op een bepaald moment krijgt een Nederlands kind in de gaten dat hij vanaf eenenvijftig verder kan tellen zonder dat iemand hem nog uitlegt wat het volgende woord is (behalve dat er natuurlijk een paar hordes te nemen zijn zoals honderd en duizend). Met andere woorden vallen die combinaties niet te maken: enkele en vijftig is geen goed woord, al kun je best bedenken wat het betekent (een getal tussen de vijftig en de zestig). Het is alsof in ons hoofd, inderdaad, de rekenkunde een eigen plaatsje heeft gekregen, net een beetje los van de echte taal, met korte, eenduidige woorden die ook niet zo snel veranderen.

In het Italiaans kan due wel soms ‘enkele’ betekenen: fare due passi is ‘wandelen’.