Ooit waren wij allen Trojanen

Door Marc van Oostendorp

Het verleden is als het geluid van een boom die ter aarde zijgt in een door iedereen verlaten bos. Dat er iets geklonken heeft, kunnen we alleen reconstrueren als we die takken daar zien liggen. En als we de moeite van die reconstructie niet doen, kun je je afvragen of er ooit wel iets geklonken heeft.

Nog ingewikkelder wordt als het gaat over de manier waarop men in het verleden kijkt naar een nóg verder verleden: hoe men zich dat verleden eigen probeerde te maken. Hoe men het vallen van de boom op zo’n manier probeerde te reconstrueren dat het de eigen belangen hielp – en dat in een bos dat op zijn beurt inmiddels ook geveld ter aarde ligt.

In de handelseditie van haar imposante proefschrift De eindeloze stad doet Wilma Keesman het voor Troje en de midddeleeuwen en de vroegmoderne tijd in de Nederlanden: ze laat precies zijn hoe men eeuwen geleden dacht over Troje, waarom men het verhaal van de val van die stad zo fascinerend vond. En daardoor krijg je een mooi, gevarieerd beeld van de mensen die zo met Troje bezig waren.

Het verhaal van Troje associëren wij inmiddels, net als de oude Grieken, vooral met Homerus en zijn Ilias. Dat gold niet per se voor de middeleeuwers, laat Keesman zien. De reden daarvoor was onder andere natuurlijk dat er weinig mensen waren die het Grieks nog voldoende beheersten om de Ilias te kunnen lezen. Maar belangrijker was dat men zich eigenlijk in het verhaal liever aan de andere kant schaarde: die van de Trojanen.

De Grieken, dat waren natuurlijk de voorvaderen van de moderne Grieken, de Byzantijnen, de oosterlingen, die het christelijk geloof perverteerden. In Aeneis had daarentegen Vergilius beschreven hoe de held Aeneas de stad Troje verlaten had nadat dit verwoest was en na omzwervingen in Italië gekomen was, waar hij de oervader van Rome zou worden.

Zoiets wilden bijvoorbeeld de hertogen van Brabant ook wel: als Aeneas was weggetrokken, dan had dit natuurlijk ook voor andere Trojaanse helden gegolden. En waarom zouden sommige van hen dan niet bijvoorbeeld een paar eeuwen in Hongarije zijn gaan wonen, om uiteindelijk in Brabant terecht te komen? Zodat die hertogen mooie, klassieke wortels hadden, en zodat duidelijk kon worden dat zij in niets onderdeden voor de grote keizers uit het verleden.

Keesman heeft een groot aantal van die verhalen verzameld, geanalyseerd en naast elkaar gezet. Het mooie van zo’n aanpak is dat je door zo’n op het eerste gezicht onbeduidend detail – de fascinatie van middeleeuwers en vroegmodernen in onze streken voor het verhaal over Troje is nooit eerder met zoveel aandacht onderzocht – een hele wereld voor je tovert.

Keesman laat bijvoorbeeld zien hoe de middeleeuwers het verhaal in hun idee over geschiedenis probeerden in te passen – dat een idee was waarin de gedachte dat alle ontwikkelingen zich ontvouwden volgens een heilsplan van God. En hoe de verhalen tegelijkertijd voor waar konden worden gehouden en tegelijkertijd steeds een beetje verfraaid; al was het maar vanwege de concurrentie met andere adelijke families.

Of, iets later, in de concurrentie met andere steden. Want dat het Trojaanse verhaal zo populair bleef – aantoonbaar de populairste niet-christelijke stof tot zeker in de zestiende eeuw – had er onder andere ook mee te maken dat opkomende nieuwe steden als Brugge of Antwerpen met een goed verhaal wilden aantonen dat ze zeker niet onderdeden voor het oude Rome. Er was in de oude tijd ooit met razend geweld een boom gevallen, en dat lawaai toonde aan hoe belangrijk de stad was.

Wilma Keesman. De eindeloze stad. Troje en Trojaanse oorsprongsmythen in de (laat)middeleeuwse en vroegmoderne Nederlanden. Hilversum: Verloren, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.