Gedicht: vsb-prijs 1918 – Herman van den Bergh

Wie zou honderd jaar geleden de vsb-poëzieprijs hebben gekregen? Deze week aandacht voor vijf in 1917 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een verkiezing van de beste bundel. Vandaag als laatste De boog van Herman van den Bergh (1897-1967). Op de Coster-site nog 5 gedichten uit deze bundel.

*

Vitaler en universeler

Herman van den Bergh (1897-1967) was in 1917 een jonge, veelbelovende dichter – een die nieuwe paden insloeg. Niet alleen waren zijn opvattingen over rijm en metrum vrijer dan die van zijn oudere collega’s, maar hij verliet ook hun door de persoonlijke beleving gekleurde lyriek voor een poëzie die vitaler en universeler moest zijn. Beeldenrijkdom en poëtische kracht die gestuurd worden door het onderbewuste – dat soort dingen. Of zoals een van Van den Berghs recensenten het ooit verwoordde: “De intuïtie, opvloeiend uit de verborgen bronnen van het diepst onbewuste, beeldt in een brandende bezieling de visionaire aanschouwing van het Al. Dan weet de visie grenzen noch horizonnen, de ruimte van den Kosmos doorwaait het vers, dat dan geen ander rythme kent dan dat der eigen zielsbewogenheid, en dat klopt en bonst van onbedwongen hartstochtelijkheid.” Het zal dan ook niet verbazen dat de gedichten van Van den Bergh soms wat eigen zijn en zich niet meteen laten doorgronden. Desondanks trok hij destijds sterk de aandacht met de bundels De boog (1917) en De spiegel (1925), die beide in de jaren zestig nog herdrukken kregen. Hij was als dichter en als voorman van het literaire tijdschrift Het Getij van grote invloed op jonge dichters als Hendrik Marsman, Hendrik de Vries en J. Slauerhoff – wat nu wel door sommigen als zijn belangrijkste wapenfeit wordt gezien – en ongetwijfeld werd hem in de jaren vlak na de Eerste Wereldoorlog een grote literaire toekomst toegedacht.

Maar de carrière van Van den Bergh ging na die twee eerste bundels een heel andere kant op. Hij werd achtereenvolgens violist, journalist, (eind)redacteur bij Winkler Prins en lector aan de universiteit van Amsterdam. In de jaren vijftig kregen zijn twee eerste bundels hernieuwde aandacht, en vanaf 1956 begon hij weer poëzie te publiceren. Die werd welwillend besproken, maar zijn latere werk zal toch voor altijd besmet blijven door ernstige en zo te zien zeer gegronde beschuldigingen van grootschalig plagiaat. Van den Bergh had zich veel meer dan netjes is laten inspireren door buitenlandse dichters als Carlos Drummond de Andrade en Wallace Stevens, door vrije vertalingen van hun gedichten als eigen werk te presenteren.

Maar zijn voor de vsb-prijs 1918 geselecteerde debuut De boog is wel degelijk het werk van een oorspronkelijk dichter – en in vergelijking met de andere genomineerden veruit het vernieuwendst.

Raymond Noë

Zwanen

Ze waaien nader als de tijd:
we zien geen werken in hun vleugels,
de stroom is altijd met hun vaart mee
en hunne vaart is zonder vechten.

Ze rusten in ’t onmooglijk leven
dat lucht en water voor hen spreiden;
ze streven niet, gaan tóch vooruit…
hoe zouden zij wel in de dood zijn?

Hun hoofd is hoog en vol van wil,
maar zonder liefde hunne lijven
en zonder hartstocht hunne harten…
hoe zouden zij wel in de dood zijn?

Alleen in late avond buigen
ze hun wit hoofd naar ’t watervlak
en drinken ’t water uit de maan,
die mijne handen geel-verglaast.

… Zou dat de dorst na lange strijd zijn?