Gedicht: Jan Luyken – Licht aan brand

Licht aan brand

Duifjen in de hazelaren,
Stak door lonkjes lodderzoet,
Tirsus hart in lichte gloed,
Die sijn lipjens op de hare
Klevende in haar kropjen* wroed,
Haakt het los, en streelt die hoogjes*,
Zo gekoestert, zo gevlijd,
Luikt sy swymende haar oogjes,
Daar mee was’ haar maagdom quijt.
Korte vreugt, en lang berouwen,
Vreugje van een ogenblik,
Schande, schaemte, spijt en schrik,
Weet gy onder een te brouwen.
Jonge zieltjes vlucht tot trouwen,
Heb dan sonder schande of schroom,
Zonder zonden, zonder schrikken,
Duizent van zulke ogenblikken,
Duizentmael zo zoet als room.

Jan Luyken (1649-1712)
uit: Duytse lier (1671)


kropjen = keeltje
hoogjes = borstjes


• Jan Luiken gaat tegenwoordig door voor een femelaar geweest te zijn, en iedereen weet van hem dat hij in zijn jeugd een vrolijke Frans was, maar na zijn bekeering al de exemplaren van een bundeltje minnedichten, die hij indertijd gemaakt had, trachtte op te koopen en te vernietigen. Verbeeld u eens, wat een onverstand!

Ik wou dat er twee Jan Luikens geweest waren, een die verzen en teksten, en een ander die prentjes uitgaf, bij verschillende uitgevers. Want teksten en verzen vind ik best en prentjes vind ik best, – maar teksten en verzen en prentjes bij mekaar vind ik niet best. Er hadden twee Jan Luikens moeten wezen en die twee hadden elkaar liefst nooit moeten tegenkomen.

– Albert Verweij