Gedicht: A. van Collem – De straatveeg

• Liederen van huisvlijt (1917) van de socialistische dichter A. van Collem is een van de bundels die de top-5 van de VSB-prijs-1918-verkiezing net niet gehaald hebben.

De straatveeg

Is geneigd om alles aan te bijten,
Loopt, wanneer men haar te loopen zegt,
Komt haar voeten aan de straten slijten,
Heeft zich voor de heeren heengelegd;

Draagt uit kroegen kruiken drank voor mannen,
Kraait, wanneer men borrels in haar giet,
Lacht, in wezenlooze sfeer gebannen,
Danst, wanneer men haar te dansen stiet;

Werd geschopt en vroeg om nog wat schoppen,
Aaide naar de vuist, die haar beklemt,
Liet zich op de arme borsten kloppen,
Zet zich voor een centje in haar hemd.

Haar gelaat is vel, doorgloeid van vlekken,
Lichtloos staan de oogen uitgepeld,
Onbeweeglijk zijn de wezenstrekken
En haar neus is puntig opgespeld;

Aan haar rokrand draagt zij drek van vaarzen
En haar luttig hoedje is wat stroo,
En haar schoudertjes beweegt zij bloo
En haar voetjes steken in manslaarzen.

Heen en weer getrapt en weggeslagen
Uit danshuizen op de morgenstraat,
Heeft zij zich gehavend weggedragen
Naar de schuwe steeg, die zij ingaat;

Schuifelt aan de trappen met haar schenen;
Hoort het vreugdeblafje van haar hond;
Iets van mensch’lijkheid is toen verschenen
Om het masker van haar dooden mond.

A. van Collem (1859-1933)
uit: Liederen van huisvlijt (1917)