Anne sei dat er my hie sjoen

Door Marc van Oostendorp

Sommige dingen kun je nu eenmaal op verschillende manieren zeggen. Er lijkt bijvoorbeeld geen verschil of je nu

  • Anne zegt dat hij me gezien heeft.

zegt, of:

  • Anne zegt dat hij me heeft gezien.

De meeste mensen hebben het idee dat allebei de vormen grammaticaal zijn, en dat je ze allebei kunt zeggen (al vind je de ene vorm misschien wat vaker in de ene regio en de andere in de andere).

In het Fries is dat niet zo. Friestaligen hebben een duidelijke voorkeur voor de eerste vorm boven de tweede:

  • Anne sei dat er my sjoen hie.
  • Anne sei dat er my hie sjoen.

De tweede vorm vind je tegenwoordig ook wel, maar dat wordt dan meestal als een neerlandisme beschouwd: invloed van het Nederlands.In bronnen uit pakweg de 19e eeuw vind je die tweede volgorde dan ook niet, laten de Amsterdamse taalkundigen Jelke Bloem, Arjen Versloot en Fred Weerman zien in een nieuw, nog niet gepubliceerd, artikel.

Alleen in nóg oudere bronnen – bij literaire schrijvers uit de zestiende tot en met de achttiende eeuw – vonden de Amsterdammers dan soms weer wel de ‘Nederlandse’ volgorde, maar ze vermoeden dat ook daar al sprake was van invloed van het Nederlands, en geven daar twee interessante argumenten voor.

In de eerste plaats wijzen ze erop dat ‘dat er my hie sjoen’-achtige constructies vaker voorkomen in poëzie dan in proza. Dat wijst erop dat het een stilistisch middel was dat men bijvoorbeeld inzette om goed te rijmen; het werd dus ervaren als iets kunstmatigs.

In de tweede plaats tonen ze aan dat de subtiele factoren die in het Nederlands een rol spelen tussen de twee vormen, voor het Fries geen rol lijken te spelen.  Sprekers van het Nederlands vinden vaak één van de vormen makkelijker (welke, dat is een individuele kwestie). De andere vorm kiezen ze dan wel, maar bijvoorbeeld niet als de constructie sowieso al wat lastiger is. ‘Ik zeg dat ik heb gebeld’ is bijvoorbeeld (iets) gemakkelijker dan ‘I zeg dat ik heb opgebeld’, omdat dit laatste het wat complexere werkwoord opbellen heeft. Wanneer ik dan de vorm ‘ik zeg dat ik gebeld heb’ al een beetje lastig vind, zal ik nóg minder geneigd zijn om ‘ik zeg dat ik opgebeld heb’ te zeggen. (Er is hier ook nog de mogelijkheid ‘ik zeg dat ik op heb gebeld’, die laten we even buiten beschouwing.) In de oude Friese teksten zie je echter helemaal geen verschil tussen complexere en minder complexe constructies. Misschien is dat omdat de Friese schrijvers het subtiele taalgevoel misten om zulke onderscheidingen te maken – die ene vorm hoorde immers niet écht bij hun taal.

Later is hij dan ook weer verdwenen om pas in de laatste decennia terug te keren. Daarbij is dan ook nog wel één verschil: in het eerdere geval was het gebruik van de Nederlandse vorm een uiting van geleerdheid, die je dan ook alleen in intellectueel taalspel terugvond. Inmiddels behoort het neerlandisme tot het Fries van alledag.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

6 Responses to Anne sei dat er my hie sjoen

  1. Jona Lendering schreef:

    Is het mogelijk dat we in de zestiende/achttiende-eeuwse teksten een weergave hebben van het gesproken Fries, dat ons corpus uit de negentiende eeuw het Fries vooral als (gezuiverde) schrijftaal weergeeft en dat we in de twintigste eeuw weer toegang hebben tot de spreektaal? Anders gezegd, is het mogelijk dat bepaalde vormen wel degelijk aanwezig zijn geweest maar onder de radar blijven?

    Ik kom op deze gedachte omdat ik van sommige woorden weet dat ze lange tijd hebben bestaan zonder te zijn opgemerkt in de schrijftaal. Ewoud Sanders gaf ooit als voorbeeld “ladderzat”.

    • Die mogelijkheid wordt door de auteurs overwogen. Twee belangrijke redenen waarom ze die verwerpen geef ik hierboven. In de eerste plaats zou het, als het inderdaad ‘spreektaal’ was, onverwacht zijn dat het in poëzie (dat is vaak wat verhevener taal) vaker voorkomt dan in proza. In de tweede plaats wordt échte taalvariatie meestal gebruikt: de twee vormen zijn niet echt evenwaardig, maar de een heeft de voorkeur ni de ene omstandigheid en de ander in de andere omstandigheid. Daarvan is in die oude Friese teksten voor zover valt na te gaan geen sprake. Het lijkt er daarmee toch op dat die ‘Nederlandse’ volgorde echt een vreemd element in het Fries is.

  2. Jona Lendering schreef:

    Ach natuurlijk, het poëzie-argument. Dat is vrij doorslaggevend.

  3. Henk Wolf schreef:

    De mogelijkheid om de persoonsvorm voorop te zetten (‘had gezien’) is in het Fries een tijdje helemaal weg geweest. In de vroege jaren negentig begint het op te vallen dat jonge Friezen die gaan gebruiken en wordt er opeens over geschreven. Dat ‘Interferentiefries’ zoals Werner Abraham het gedoopt heeft, is sinds die tijd onderwerp van onderzoek in de frisistiek.

    Jehannes Ytsma en ik hebben begin jaren negentig onderzoek gedaan onder een groep scholieren: eerst toen ze 12 jaar waren en vier jaar later toen ze 16 waren. We hebben gekeken welke werkwoordvolgordes ze in het Fries gebruikten. Beide volgordes kwamen in die groep voor, bij de grote meerderheid. Ik heb bij het onderzoek onder de 16-jarigen ook de ouders in het onderzoek meegenomen. Van die generatie zette toen niemand de persoonsvorm voorop. Ook vandaag wordt ‘it omdraaien fan ‘e tiidwurden’ (dus het voorop zetten van de persoonsvorm) door de oudere generatie als iets typisch van de jeugd gezien, zelfs al is die jeugd de dertig ondertussen ruim gepasseerd. En terwijl de prescriptieve normen voor het Fries bij een groot deel van de taalgemeenschap vrij zwak zijn, is het gebruik van de ‘verkeerde werkwoordvolgorde’ iets waar Friezen zich massaal aan storen. De grote meerderheid van mijn Friese studenten meldt dat ze door ouders, grootouders en leraren wel eens (of structureel) zijn gecorrigeerd op hun werkwoordvolgorde.

    • Interessant. Ik neem aan dat de reden waarom mensen zich hieraan storen expliciet is dat dit een neerlandisme is?

      • Henk Wolf schreef:

        Klopt. Gek genoeg zijn er andere neerlandismen (in Friesland doorgaans ‘hollandismen’ genoemd), die veel minder irritatie oproepen. Een voorbeeld is het overnemen van ‘zich’ als wederkerend voornaamwoord. Ook lexicale interferenties, waarvan je zou verwachten dat ze veel opvallender zijn en daardoor als storender worden ervaren, krijgen veel minder kritiek dan die werkwoordvolgorde.

Reacties zijn gesloten.