Moderne letterkunde: lesbische liefde in literair proza uit de jaren twintig

In de nieuwe reeks ‘Moderne letterkunde’ worden recente publicaties uit letterkundige vakbladen gesignaleerd.

Door Gaston Franssen

Schrijvers zoals Gerard Reve en Anna Blaman zien we vaak als pioniers wanneer het gaat om de literaire verbeelding van de homoseksuele en lesbische liefde, maar er waren natuurlijk ook al eerder auteurs die zulke onderwerpen aansneden. Hoe deden die schrijvers dat precies en wat vonden lezers daar eigenlijk van? Die vraag stelt Aukje van Hout in een artikel voor Nederlandse letterkunde (22/2). Van Hout kijkt in haar bijdrage naar verschillende werken van twee schrijvers uit de jaren twintig: Edith Werkendam en Johan de Meester. Die werken maakten lesbische liefde bespreekbaar en ‘denkbaar’. Maar de waardering voor de twee auteurs liep sterk uiteen: zo werd het werk van de ene afgeserveerd, terwijl dat van de andere werd bejubeld. Hoe komt dat?

Uitgedokterd

Van Houts analyse bestaat uit drie delen: ze plaatst de literaire werken in de historische context; gebruikmakend van de discoursanalyse van Dominique Maingueneau brengt ze vervolgens in kaart hoe de personages van Werkendam en De Meester in elkaar zitten; en ze kijkt naar de waardering voor beide auteurs. Zo maakt Van Hout inzichtelijk dat in de negentiende eeuw verschillende manieren van denken over homoseksualiteit gangbaar waren. Veel mensen zagen homoseksualiteit als een morele zwakte of een besmettelijke ziekte. Dankzij seksuologen als Magnus Hirschfeld was er ook een ander geluid in opkomst. In de geneeskunde en psychiatrie werd de homoseksueel ‘uitgedokterd’: men ging homoseksualiteit steeds meer zien als aangeboren en (dus) als iets waarvoor begrip moest worden opgebracht. Deze verschillende opvattingen komen ook terug in de literatuur van die tijd.

Soap

Van Hout toont dat aan door heel precies te kijken naar hoe Werkendam en De Meester hun personages vormgeven. In Het purperen levenslied (1922) van Werkendam leeft de lezer bijvoorbeeld mee met de kunstenares Hans, die worstelt met haar gevoelens voor haar vriendin Maddy. Het verhaal is een dramatische liefdesgeschiedenis en heeft wel iets weg van een soap. Hans wil eerst niet toegeven aan de ‘ellendige, tegennatuurlijke neiging’ die ze voelt, maar tegelijkertijd kan ze het niet verdragen dat haar vriendin zich verlooft met een man, Evert, die vervolgens weer Hans verleidt. Na haar nacht met Evert biecht Hans haar ware gevoelens aan hem op. Evert is geschokt en is bang dat Hans ook Maddy zal ‘besmetten’, maar Hans heeft door de ervaring haar homoseksualiteit juist leren accepteren als een natuurlijk deel van haar ‘wezen’. Doordat Hans in het verhaal de focalisator is, en we dus als het ware steeds met haar ‘meekijken’, wordt de lezer uitgenodigd om zich met haar te identificeren. Zo wordt de lesbische liefde door Werkendam ‘denkbaar’ gemaakt.

Sexueele ellende

De Meester gebruikt een andere strategie om iets vergelijkbaars te bewerkstelligen. In zijn roman Walmende lampen (1921) kijken we mee met Meta, een jonge moeder die in de Haagse scene van kunstenaars en journalisten terechtkomt. Door de vrijere moraal in die alternatieve kringen leert Meta over de lesbische liefde. Hoewel ze daar zelf sterk afwijzend tegenover staat, corrigeren andere personages haar oordeel en wordt er indirect door de auteur compassie gevraagd voor de ‘afdeeling sexueele ellende’. Ook op die manier wordt homoseksualiteit bespreekbaar gemaakt.

Overspannen hersenen

Een intrigerende vraag die Van Hout ten slotte aansnijdt, is: waarom beschreven critici het werk van Werkendam als een ‘een monstrum’, ‘gebrouwen’ uit ‘overspannen hersenen’, terwijl ze het boek van De Meester prezen als ‘het beste wat in onze litteratuur is geschreven’? Daarvoor heeft Van Hout verschillende verklaringen. Ten eerste is er een belangrijk verschil in focalisatie: bij De Meester identificeert de lezer zich met Meta, de heteroseksuele buitenstaander, terwijl de lezer van Werkendam zich moet verplaatsen in het perspectief van een jonge lesbische vrouw. Dat laatste, stelt Van Hout, zal voor veel lezers (nog) een brug te ver zijn geweest. Ten tweede is er een statusverschil: De Meester was gerespecteerd redacteur van NRC en De Gids; Werkendam had een slechte reputatie door allerlei ‘schandaaltjes’ en haar imago als pulpschrijver. En ten slotte is ook gender een factor: ‘vrouwenromans’ werden tijdens het interbellum namelijk structureel lager gewaardeerd. Vrouwelijke schrijvers, zo vonden de overwegend mannelijke critici, zouden niet veel weten over serieuze zaken als economie, politiek en seksualiteit, en moesten daar dan ook maar niet teveel over schrijven.

Scenografie en de literaire schrijver als padvinder

Van Hout laat in haar analyse zien hoe de discoursanalyse een rol kan spelen in het onderzoek naar literatuur. De terminologie is soms wel verwarrend: zo leent Van Hout van Maingueneau het begrip ‘scenografie’, dat ze nu eens beschrijft als ‘een kader’ bestaand uit ‘zowel paratekstuele gegevens als uit narratologische condities’, dan weer als ‘een scharnier tussen het autonome literaire werk’ en ‘het statuut van de auteur en de plaats en tijd waarin hij schrijft’. In de praktijk lijkt ze scenografie te gebruiken als synoniem voor narratologie. Maar zulke terminologische kwesties doet niet af aan de waarde van haar artikel: Van Hout laat mooi zien hoe literaire schrijvers in de jaren twintig al een soort ‘padvinders’ waren, die de weg bereidden voor het bespreekbaar maken van de lesbische liefde.

Aukje van Hout, ‘Van het pad af: de verbeelding van lesbische liefde in proza van Edith Werkendam en Johan de Meester’, in: Nederlandse letterkunde 22 (2017), 2, pp. 79-107.