Gedicht: Nicolaas Antonie van Charante – De kleine sprokkelaarster

De kleine sprokkelaarster

’t Is koud en guur, de grond is nat,
De regen stroomt op ’t dorre blad
Langs tak en struiken neder.
De wind blaast langs mijn kaken heên;
‘k Ben ver van huis, ik ben alleen.
Hoe vreeselijk is het weder!

Het duister valt, mijn pak is zwaar,
Maar ‘k heb mijn vrachtje bij elkaar;
Ik deed het voor mijn’ vader.
‘k Bemin hem nu, na moeders dood,
Nog eens zooveel, nog eens zoo groot:
Want ik heb niemand nader.

Ik zag het, o! hij was zoo koud:
De haard was leêg, er was geen hout;
Ik dacht: ‘Ik zal wat halen!’
‘k Wil alles voor mijn’ vader doen:
En hij zal ’t strakjes, met een’ zoen,
Mij zekerlijk betalen.

‘k Heb alles van den grond geraapt,
Niets onbehoorlijks weg gekaapt,
Geen boomgewas geschonden.
Men mag aan ander mans plantsoen
Geen nadeel en geen schade doen:
O neen, dan doet men zonde.

Ja, ‘k deed ook nu mijn’ pligt als kind,
Voor vader, die mij zoo bemint;
Nu kan hij zich verwarmen.
Het weêr is guur, de wind is koud,
Ik dank U, God! Gij geeft ons hout.
Gij zijt de hulp der armen.

Nicolaas Antonie van Charante (1811-1873)