Gedicht: Charivarius – St. Nicolaasklacht

St. Nicolaasklacht

O, Sinterklaas, verschriklijk feest! o, jaarlijksche bezoeking!
U treffe in dit klaaglied mijn verwensching en vervloeking!
O avond van geheimpjes, van surprises en cadeaux,
Van pakjes van de post en mandjes van v. Gend & Loos,
Die ‘k eerst een half uur stil laat staan, dan open met een zucht,
Omdat ‘k, geleerd door droeve ondervinding, d’ inhoud ducht;
Het angstzweet breekt me uit en ‘k sta op ’t punt om te bezwijken:
Als ’t voorwerp nakend voor mij ligt – ik durf haast niet te kijken:
Een kussen, dat ‘k niet noodig heb, een inktpot, of zoo iets,
Och kom, ik heb een vulpen, en zoo’n ding dat dient tot niets!
Een nare dure, vaas – o jee, die moet j’ ‘een plaatsje geven!’
En wat het leelijkste is, dat blijft gewoonlijk ’t langste leven;
Ja, wààr je ’t zet, met stille hope op een ongeluk,
Vlak bij een rand, of op een hoek, dat ding dat wil niet stuk!
‘Sämmtliche Werke’ worden j’ ook soms op je hals geschoven,
De druk te klein, ’t papier van stroo, verguld op snee (van boven).
Of anders is ’t een ‘schilderij’, waar ‘k niet naar heb verlangd,
Dat is al héél erg, want ’t fatsoen eischt dat je ’t ergens hangt,
(Ja, alles, waar een lijst omheen is, heet een ‘schilderij’)
Natuurlijk moet je dankbaar zijn, je kijkt verrast en blij,
En of je ’t mooi of leelijk vindt, je moet er, ten pleziere
Van wie het je heeft aangedaan, je kamer mee versiere’.
Dit door-en-door onzeedlijk feest, het leert het menschdom veinzen,
Want hoe ’t ook in je binnenst’ ziedt, je moet blij-dankbaar grijnzen.
Het is een tijd van klatergoud, van lorren en van prullen,
Waaraan de Priesters van de Wansmaak likkebaardend smullen.
Loop nu eens door de Kalverstraat, en zie eens om je heen,
Wanneer je in de winkels kijkt, dan krimpt je ’t hart ineen.
Je gruwt van al de druk beblomde loopertjes en kleeden,
Die stapels van rood-pluche-met-vergulde aakligheden;
Zoo’n beeldj’ op waglend voetstuk, heel goedkoop maar veel te duur,
Een klok met coupes – monsterlijk – à zooveel ‘’t Garnituur’.
Maar ’t ergste komt nog. ’t Is het zoeken naar den gullen gever.
Je zegt, met een gezicht alsof je last hadt van je lever:
‘Het is toch niet van jou?’ of: ‘zeg, weet jij hier soms iets van?’
En zes of zeven maal verdenk je den verkeerden man.
En altijd zijn ’t onschuldigen, die j’ aanklampt met je vragen,
En telkens heb je allebei een gek figuur geslagen…
…… …… …… …… …… …… …… …… …… …… ……
Maar denk je dat ‘k het allemaal meen? Kom, lezer, ben je dwaas!
Ik ken geen fijner kinderfeest, dan ’t feest van Sinterklaas!

Charivarius (1870-1946)
Ruize-rijmen (1922)