Vrouwen kunnen beter gedachten lezen

Door Lucas Seuren

In een hoofdstuk over taalgebruik uit 2013 stelde de beroemde Britse taalkundige Stephen Levinson dat het een wonder is dat sociale interactie zo soepel verloopt. Aan de basis van ons talig en niet-talig handelen liggen allerlei intenties, intenties die natuurlijk niet direct toegankelijk zijn voor onze gesprekspartners. En toch kunnen we veelal vrij probleemloos, of in ieder geval goed genoeg, de juiste intenties toeschrijven aan sprekers. We zijn er zelfs zo goed in dat er gemiddeld genomen geen merkbare stilte valt tussen twee opeenvolgende gespreksbijdragen: als spreker A klaar is reageert spreker B binnen 0,1 seconde.

Afleiden wat de intenties van een spreker zijn op basis van talige en niet-talige signalen wordt in de cognitieve psychologie gedachten lezen genoemd, omdat hoorders de verscheidene mentale statussen moeten toeschrijven aan de sprekers: wat bedoelt de spreker; wat voelt de spreker; wat wil de spreker; wat denkt de spreker; etc. Op basis daarvan een hoorder dan besluiten wat een gepaste reactie is.

Gedachten lezen

In een nieuw artikel in het tijdschrift Frontiers in Psychology stelt een aantal Duitse en Zweedse onderzoekers dat mannen en vrouwen niet even vaardig zijn in dat gedachten lezen, en dat die vaardigheid bovendien afneemt naarmate mensen ouder worden. Vrouwen zouden beduidend beter zijn in het lezen van de gedachten van andere vrouwen (maar niet van mannen), mannen kunnen beter de gedachten van vrouwen lezen dan van andere mannen, en mensen zijn rond hun 30e het best in staat tot gedachten lezen.

Om dit te onderzoeken toonden ze een grote groep proefpersonen een filmpje waarin vier mensen – acteurs – met elkaar praten. Het filmpje wordt regelmatig op pauze gezet waarna aan de proefpersoon wordt gevraagd wat de intentie is van de laatste spreker. Mensen die problemen hebben met gedachten lezen zouden hier vaak de mist in gaan.

Neem de volgende situatie. Een van de sprekers, laten we hem Mark noemen, vertelt een verhaal over een vakantie in Zweden, waarna een andere gespreksdeelnemer, laten we deze persoon Jan-Wouter noemen, het onderwerp radicaal verandert om over zichzelf te kunnen praten om zo een derde persoon, Marjo, te kunnen imponeren. Al snel onderbreekt Marjo en vraagt aan Jan-Wouter of hij ook wel eens in Zweden is geweest. Wat wil Marjo hier nu mee bereiken?

Iemand die goed is in gedachten lezen zou begrijpen dat Marjo probeert het gesprek terug te brengen naar het onderwerp dat Mark inbracht om zodoende Mark weer in het gesprek te betrekken. Maar iemand die minder vaardig is zou bijvoorbeeld zeggen dat Marjo wil weten of Jan-Wouter ooit in Zweden is geweest, of dat Jan-Wouter het verhaal van Mark kan bevestigen.

Waarom dat nu?

Het is een interessante manier van kijken naar interactie, die een aantal overeenkomsten heeft met Conversatieanalyse. Zo stelden de grondleggers van dat vakgebied—sociologen en niet psychologen—dat mensen continu bezig zijn met de vraag “Waarom dat nu?” (“Why that now?”): waarom doet mijn gesprekspartner deze uitspraak, op dit moment, en in deze vorm? Die vraag moeten we kunnen beantwoorden om een passende reactie te produceren. Als iemand zegt “Hé Lucas!” en we waren nog niet in gesprek, groet die persoon me waarschijnlijk, maar als we al aan het praten waren, dan probeert hij of zij mogelijk mijn aandacht te trekken in de veronderstelling dat ik niet aan het opletten ben. In het eerste geval zal ik “Hé!” terugzeggen, in het andere geval iets als “Ja?” of “Sorry, ik was even afgeleid.”

De vraag is alleen of ik daarvoor ook gedachten moet kunnen lezen. Conversatieanalytici zouden zeggen dat in de genoemde situatie ik als sociaal competent wezen gewoon weet dat aan het begin van een gesprek een groetterm is, en dus een wedergroet nodig heeft. Ik hoef me niet te verplaatsen in de belevingswereld van die ander. Even goed weet ik dus dat een midden in een gesprek een manier van aandacht trekken is. Taalbeheersing is grotendeels een kwestie van het aanleren van conventies, en die vervolgens correct toepassen; daar komt meestal geen gedachtenlezen bij kijken.

Dat wil niet zeggen dat intenties en gevoelens niet gethematiseerd kunnen worden, maar dat doen we veelal pas bij misverstanden. Dit idee werd recent verder uitgewerkt door twee antropologen, Nick Enfield en Jack Sidnell, die, voortbordurend op het werk van Anscombe in de jaren 50, stellen dat interactie niet bestaat uit het toeschrijven van intenties en taalhandelingen, maar uit geconventionaliseerd en aangeleerd gedrag. Intenties komen pas kijken als iemand (ogenschijnlijk) ter verantwoording wordt geroepen, of een norm schendt. Stel je komt een bekende tegen en je zegt “Hoi”, maar de ander zegt niks en loopt door. Dan ga je je afvragen waarom die persoon niet reageerde. Negeerde hij of zij je opzettelijk? En zo ja, wat heb je misdaan om dat te verdienen?

Paradox

Los van het verschil in wetenschappelijke perspectieven, lijkt de onderzoeksopzet me sowieso enigszins paradoxaal. De onderzoeksdeelnemers moesten een serie meerkeuzevragen beantwoorden over wat het personage in het filmpje denkt of voelt. Maar de interactie van te voren is uitgeschreven gaan de vragen niet over de intenties en gevoelens van de personages, maar de intenties en gevoelens die de personages hebben volgens de schrijvers van het script. Waarom is dat paradoxaal? Omdat vrijwel niemand van de gespreksdeelnemers perfect scoort, en wie zegt dat hoe de onderzoekers de interactie gestructureerd hebben, wel strookt met “de werkelijkheid”?

Anders gezegd, als de proefpersonen gemiddeld genomen 75% van de vragen goed beantwoorden, dan zijn ze dus in staat om in 75% van de gevallen de correcte intenties toe te schrijven. Maar als mensen dat maar in 75% van de gevallen kunnen, dan is bij het opzetten van het onderzoek ook maar in 75% van de gevallen het correcte antwoord klaargezet. Maar die 75% baseren we juist op de aanname dat de onderzoekers het goed hebben gedaan, en dat kunnen we dus niet.

Het is een interessant probleem. Stel we moeten inderdaad gedachten lezen als we met elkaar praten, en we gaan daarbij soms de mist in. Hoe ga je ooit testen wat de correcte intenties of gevoelens zijn van een personage? Als we allemaal feilbaar zijn, dan is de methode dat inherent ook. We kunnen het natuurlijk gewoon aan mensen vragen, maar wie zegt dat ze ons de waarheid vertellen? Sterker nog, wie zegt dat mensen voldoende toegang hebben tot hun eigen cognitie om een goed antwoord te kunnen geven? Het zijn problemen waar ik als conversatieanalyticus me gelukkig niet druk over hoef te maken; ik mag gewoon kijken naar wat mensen doen. Wat ze denken, dat laat ik maar buiten beschouwing.