Minicollege over Die queeste vanden Grale

Door Willem Kuiper

[Tekst uitgesproken tijdens het symposium, gehouden ter gelegenheid van het afscheid van Jos A.A.M. Biemans als bijzonder hoogleraar Boekwetenschap UvA op donderdag 23 november 2017.]

Geachte aanwezigen,

Het komend half uur wil ik het met u hebben over Die queeste vanden Grale. Voor de niet-ingewijden onder u: Die queeste vanden Grale, oftewel de zoektocht naar de Graal, is een 13e-eeuwse Middelnederlandse Arturroman, geschreven in gepaard rijmende versregels, die vertaald werd naar een Oudfranse prozaroman: La queste del saint Graal. De Franse brontekst werd geschreven omstreeks 1220 door één of meer auteurs, waarvan wij niets meer weten dan dat hij of zij sterk beïnvloed waren door het mystieke gedachtegoed van de Orde der Cisterciënzers.
La queste del saint Graal presenteert zich niet als een zelfstandige roman, bevat ook geen proloog of epiloog, maar als een naadloos vervolg op bestaande romans: enerzijds L’Estoire del saint Graal, de geschiedenis van de Graal, die begint ten tijde van het Laatste Avondmaal, en anderzijds de Lancelot en prose, het meest gelezen, beluisterde en besproken boek van die dagen. In de Lancelot en prose wordt verteld hoe de koningszoon Lancelot, in ballingschap geboren, in afzondering opgegroeid en opgevoed door een fee – dat is een vrouw met magische krachten en machten – op achttienjarige leeftijd geïntroduceerd wordt aan het prestigieuze hof van koning Artur. Daar ontstaat een hartstochtelijke liefdesverhouding tussen Lancelot en de vrouw van koning Artur. Hoewel hun liefde buitenechtelijk is, wordt zij beschreven als een veredelende kracht en een nobel streven, en inspireert zij Lancelot tot het verrichten grootse daden van zinvol geweld, zodat hij uitgroeit tot de beste ridder van zijn tijd.
In La queste del saint Graal wordt dit concept totaal onderuit gehaald: Lancelot is een echtbreker en verkeert daarom in staat van doodzonde, de ridders van de Ronde Tafel worden weggezet als hopeloze hooligans, het ridderlijk bedrijf wordt veroordeeld als zinloos geweld, en erotiek moet wijken voor mystiek. La queste del saint graal wordt gedragen door Galaad, een zoon van Lancelot, die hij onbedoeld, onbewust, ongewild en onwetend verwekt heeft bij een koningsdochter. Galaad, opgegroeid in de afzondering van een klooster en opgevoed door een non, is de nieuwe held, die het aardse ontstijgt, Arturs rijk achterlatend als een zieltogend bewijs van het menselijk tekort.
La queste del saint Graal is ook afzonderlijk overgeleverd, maar toch vooral als onderdeel van het verzameld werk: Estoire, Merlin, Lancelot, Queste en La mort le roi Artu (Arturs doot in het Middelnederlands), alias de ‘Vulgaat’ (niet te verwarren met de gelijknamige middeleeuwse Bijbelvertaling van Hiëronymus).

De Middelnederlandse Queeste is enkel en alleen volledig bewaard gebleven in de zogeheten Lancelot-compilatie, een freelance boekproject van een vijftal kopiisten, waarin zij zo te zien op basis van reeds bestaande vertalingen van onderdelen van de ‘Vulgaat’ een Middelnederlandse versie daarvan wilden maken, die nog eens uitgebreid werd met bewerkingen van wat losse romans, waarin niet Lancelo(e)t maar Walewein de hoofdrol speelt. Dit boek zou tussen 1320 en 1325 vervaardigd zijn, naar men denkt in Antwerpen. Het boek is eigendom geweest van niemand minder dan Lodewijc van Velthem, maar wij weten niet of hij óók 1) één van de kopiisten was, 2) de compilator achter het boek of 3) de zogeheten ‘corrector’, die in een aantal teksten, waaronder de Queeste, tal van verbeteringen heeft aangebracht die maar hoogstzelden correcties zijn, alsook marginale woordjes als ‘ende’, ‘maar’ en ‘want’.
De Queeste telt in de Lancelot-compilatie ruim 11.000 versregels. Er is geen ander handschrift bekend, geen fragment van een ouder handschrift, maar wél een fragment van een jonger handschrift: één verticale strook met daarop de trieste resten van vier kolommen (recto + verso) van elk 37 regels. (Met dank aan Herman Mulder voor deze foto’s.) Dit fragment werd geïdentificeerd door Bart Besamusca en beschreven en geanalyseerd door hem en Hans Kienhorst in De nieuwe taalgids van 1983. Het fragment was tot op heden onuitgegeven, maar één dezer dagen kunt u een editie tegemoet zien op Neerlandistiek.nl

Als zij-instromer ben ik een jaar of wat geleden betrokken geraakt bij het project ‘Middelnederlandse Lancelotromans’, en heb ik op mij genomen om een kritische editie te bezorgen van de tweede helft van Die queeste vanden Grale. Inmiddels werk ik aan een editie van de gehele Queeste. Vanmiddag lijkt mij een uitgelezen gelegenheid om hierover met u wat ervaringen uit te wisselen.

Vanaf het allereerste begin stuitte ik op twee universele problemen waarvoor elke editeur van een Middelnederlandse (vers)tekst zich gesteld ziet:

1) Waar begint een zin, en waar houdt hij op?
2) Hoe schrijf ik een afgekort woord voluit?

De syntactische structuur van de Queeste is vaak onduidelijk. En ik ben niet de eerste die daarover gevallen is. De corrector ging mij hierin voor. Wat hij elders in de Lancelot-compilatie doet, is brand buiten mijn wijk, maar in de Queeste gedraagt hij zich vooral als een ‘dogmatische’ taalkundige. Zijn favoriete bezigheid is het toevoegen van het negatie-partikel ‘en’, waar dat volgens de vertaler (en de compilator) gemist kon worden. Écht corrigeren doet hij nauwelijks. Als Bohort in hoofdstuk 7 een man in een kapel ziet zitten met aan zijn ene rechterkant * een verrotte stok en aan zijn andere rechterkant twee in elkaar verstrengelde lelies, dan laat hij dat ongemoeid, maar zet er wel een “ende” voor. De aandacht van de corrector gaat in de Queeste haast uitsluitend uit naar taal- en redekundige zaken.
Zijn marginalia moeten mijns inziens óók vooral syntactisch geduid worden. Normaal gesproken staan ze altijd aan het begin van een hoofdzin, zoals ook Maartje Draak terloops opmerkte in haar artikel ‘The workshop behind the Middle Dutch Lancelot manuscript’. Anders dan W.P. Gerritsen in ‘Corrections and Indications for Oral Delivery in the Middle Dutch Lancelot Manuscript’ (beide in Neerlandica manuscripta. Essays presented to G.I. Lieftinck 3, Amsterdam, 1976) interpreteer ik ze als hulpmiddelen bij het lezen en begrijpen van de tekst, niet bij het vóórlezen ervan. Daarvoor leent het handschrift van kopiist B zich, mede door de vele afgekorte woorden, mijns inziens (te) slecht.
Jonckbloet, de eerste editeur van de Lancelot-compilatie, koos ervoor om de corrector zo veel mogelijk te negeren, Gerritsen dacht daar precies andersom over en zette de man op een voetstuk. Gerritsen heeft gelijk als de corrector deel uit maakte van het productieteam van het boek. Jonckbloet heeft gelijk als het om gebruikssporen gaat. Opvallend is de sterk Oost-Brabantse tongval van de corrector. Wat dat betreft is hij een vreemde eend in de bijt. Als de corrector een collega van kopiist B was, zou hij nooit deze absurde correctie aangebracht hebben in Queeste r. 933 (e.a.): “<+Ic> In”, immers ‘In’ = ‘Ic en’.  ‘Ic in’ is géén West-Middelnederlands. Anderzijds, als je hier naar kijkt. Dit gaat toch veel verder dan gebruikssporen. De (ons bekende) kopiisten die de Lancelot-compilatie als legger gebruikt hebben (KB Den Haag 75 H 58 en KB Brussel IV 636-4), namen zijn correcties en marginalia niet over. Of schreven zij een boek af dat nog niet door de corrector onder handen genomen was? Wie het weet, mag het zeggen.
De gebrekkige syntactische structuur heeft, denk ik, een diepere oorzaak dan te ver doorgevoerde nevenschikking of een vorm-onvaste vertaler. In de praktijk van het interpungeren oriënteer ik mij vooral op de Franse Queste. Dan weet ik in elk geval wat bij wat hoort.

Het tweede probleem laat zich veel minder gemakkelijk oplossen. Ik ken geen vergelijkbare tekst met zo veel afgekorte woorden. Normale kopiisten van handschriften met kolommen gebruikten abbreviaturen om ervoor te zorgen dat een versregel niet te lang werd en te veel uitstak. Omgekeerd gebruikten zij in korte(re) zinnen weinig of geen abbreviaturen om vooral niet de indruk te wekken dat er iets ontbrak. Zoals u kunt zien op deze foto moest de kopiist van de Queeste moeite doen om ervoor te zorgen dat de lange(re) regels van de ene kolom de aanpalende kolom niet raakten. Maar ook in korte zinnen kort hij af …
De Queeste bevat meer dan één taallaag. Drie om precies te zijn. Het is: 1) een Vlaamse vertaling, in een 2) West-Brabants afschrift, en daarover heen 3) een Oost-Brabantse corrector. Dat de vertaling een Vlaamse tekst is, kun je zien aan rijmwoorden als ‘bem’ in plaats van ‘ben’, ‘dure’ in plaats van ‘dore’ en ‘of’ in plaats van ‘af’. De kopiist van de Queeste – kopiist B voor de kenners, de belangrijkste kopiist in de Lancelot-compilatie – kort waar en wanneer mogelijk zo’n beetje álle dialectaal gekleurde woorden af. Waarom? Ik kan geen betere verklaring bedenken dan dat hij bewust rekening hield met een volgende kopiist, die of het nu een Brabo of een Vlaming was, alleen maar de afgekorte woorden voluit hoefde te schrijven om een tekst naar wens te krijgen. Vermoedelijk heb ik daarom na ruim 9000 versregels nog altijd geen voluitgeschreven vorm gevonden van het woord ‘zwaard’: ‘swa(a)rt’ in het Vlaams, maar ‘swe(e)rt’ in het Brabants, bij voorkeur rijmend op ‘paard’: ‘pa(a)rt’ in het Vlaams, ‘pe(e)rt’ in het Brabants. Ook moet ik nog altijd de eerste voluitgeschreven vorm van het hulpwerkwoord ‘worden’ in de tegenwoordige tijd tegenkomen. Bij gebrek aan een tijdmachine heb ik mij gewend tot Amand Berteloot, auteur van ‘Werden – warden – worden: een Middelnederlandse chaos?’, Taal en tongval 37 (1985), p. 55-70.

Binnen de versregel vind je soms óók relicten van de Vlaamse legger. Ik licht er één uit, het aanwijzend voornaamwoord ‘die’. Kopiist B schrijft normaal gesproken ‘die’, maar daarnaast ook ‘di’. Dat is geen spelfout, dat is vrijwel zeker een Brugs relict. In Brugge sprak men het persoonlijk voornaamwoord ‘jij / di’ uit als ‘dië’. Evenzo schreef en zei men ‘mie’ / ‘mië’ enzovoort. Kijk maar op de CD-ROM Middelnederlands.
Heb je dat eenmaal gezien dan valt je nog iets op als je doet wat ik gedaan heb. Omdat de Middelnederlandse Queeste te vaak onbegrijpelijk is en de rijmwoorden qua betekenis regelmatig in tegenspraak zijn met het verhaal, heb ik de Franse brontekst ernaast gelegd en zo gezien dat de vertaling vele kleine(re) en grote(re) gaten bevat. Niet door een ‘saut du même au même’ van de kopiist, maar als gevolg van bewuste bekorting. In 1980 publiceerde mevrouw J.C. Prins s’Jacob in De nieuwe taalgids een artikel ‘The Middle‑Dutch version of La Queste del Saint Graal, waarin zij zich onder andere bekloeg over het gebrek aan begrip van de vertaler gelet op wat er met name in mystiek en theologisch opzicht naar de Filistijnen ging. Zij maakte geen verschil tussen de vertaling van de Queeste en de redactie van de Queeste in de Lancelot-compilatie.
Dat verschil werd in 2000 wél gemaakt door Geert Claassens in ‘Redressing the balance: on the Queeste vanden Grale’. Hij ziet in de verdamping van de spirituele dimensie geen tekortschieten van de vertaler maar denkt aan een bewuste ingreep van de compilator, die meer aandacht wil schenken aan het ridderlijke element in de roman.
Ik kan de mening van Claassens op basis van mijn ervaringen met de tekst alleen maar bevestigen. De compilator heeft aan de Queeste een proloog toegevoegd die geen enkele ridderroman zou misstaan. Bovendien heeft de compilator in zijn rijmwoorden vaak bewust of onbewust teruggegrepen op het epische register met de handeling intensiverende rijmwoorden als bijvoorbeeld ‘hastelike’, ‘saen’ en ‘te hant’, terwijl die haaks staan op de rust en de ingetogenheid van de brontekst.
Wie de moeite neemt om de Queeste zin voor zin met het Franse origineel te vergelijken, en daarbij let op de Vlaamse rijmwoorden en spelling, zal zien dat daar waar het Vlaams is blijven staan de tekst in de regel niet bekort is. Er is mijns inziens alle reden om te veronderstellen dat de oorspronkelijke vertaling niet verminkt was. De bekortingen komen naar mijn mening voor rekening van de compilator, die men wat mij betreft gerust de ‘mutilator’ mag noemen, want zijn snoeiwerk is mede oorzaak van de gemankeerde syntaxis.

Wie was die vertaler? Daar ben ik al editerend achter gekomen, mede dankzij de zeer goede digitale foto’s van het handschrift die ik van de KB Den Haag gekregen heb.
In het zesde ‘hoofdstuk’ van de Queeste vertelt een priesterachtige man over de drie belangrijkste tafels uit de (heils)geschiedenis. De eerste is die van het Laatste Avondmaal. De tweede (mijn editie i.s.n.):

Daer na so was alsoe wale
Die tafle vanden heilegen Grale,
Daer af gesciet sijn, alst es becant,
Menege miraclere hier int lant.
Ende ene sonderlinge alse Joseph was,
Van Aramathien, alsic las,
Dat hi hier predecken began
Kerstenheit onder wijf ende man. (3241-3248)

 

Als filoloog, die elke dag een paar uur Middelnederlands leest, weet ik inmiddels wel wat normaal en wat bijzonder taalgebruik is. Van ‘miraclere’ had ik nog nooit gehoord, en in eerste instantie dacht ik aan een verschrijving. Dat dacht Jonckbloet ook, en hij maakte er het normale ‘miracle’ van, waardoor het uit het zicht verdween. Totdat ik het in hoofdstuk 7 nóg een keer tegenkwam. Kopiist B schrijft een rothand, maar fouten maakt hij nauwelijks. En die zou twee keer hetzelfde woord verschreven hebben? Onmogelijk!

Raadpleging van de CD-ROM Middelnederlands leert dat ‘miraclere’ exclusief gebruikt wordt door niemand anders dan Philip Utenbroeke in de Tweede Partie van de Spiegel historiael. Ook hier namen de editeurs dit woord niet serieus, maar gelukkig voor vader Jacob Verdam, voor mij en niet te vergeten voor u bleef het één keer staan en haalde zo het MNW. ‘Miraclere’ is zo’n ideosyncratisch woord dat ik het de status toeken van een filologische DNA-match. Andere ongebruikelijke woorden in de Queeste bevestigen deze persoonlijke unie.
Ik denk dat ik niet overdrijf als ik zeg dat dit een nieuw licht werpt op de totstandkoming van de Lancelot-compilatie: Het verloren gegane eerste deel zal ongetwijfeld Jacobs Historie vanden Grale bevat hebben en het vervolg daarop van de hand van Lodewijc van Velthem, die de Merlijn-continuatie in 1326 voltooide. Voor mij een reden om 1320-1325 voor de Lancelot-compilatie wat aan de vroege kant te vinden. Jacobs curieuze Torec werd óók opgenomen, evenals een passage uit de Derde Partie van zijn Spiegel voor Arturs doot. Lodewijc van Velthem moet de sleutel van de Oostvoornse boekenkist gehad hebben, waarin zich die handschriften bevonden. Als nu de vertaling van de Queeste inderdaad van Philip Utenbroeke was dan lijkt de Lancelot-compilatie toch wel heel sterk op een ‘spin-off’ van Lodewijcs voortzetting van de Spiegel historiael gedurende de jaren 1315-1335.

Hiervoor heb ik het meerdere keren over de Franse brontekst gehad, maar welk Frans handschrift heeft Philip Utenbroeke gebruikt? Dat handschrift zoeken en vinden lijkt onbegonnen werk. Middelnederlandse vertalers hadden doorgaans een excentrisch exemplaar op hun schrijftafel liggen, nooit het handschrift dat later door een Franse editeur werd uitgegeven. Toen ik aan mijn editie begon, kon ik kiezen tussen Pauphilet en Sommer. Om meer dan één reden heb ik voor Pauphilet gekozen, achteraf terecht, maar Sommer altijd bij de hand gehad en later ook de nieuwe editie van Bogdanow. In de eerste zes hoofdstukken vond ik geen varianten van betekenis. Totdat ik in het zevende hoofdstuk op twee substantiële afwijkingen stuitte:

Du vochtste jegen die Goede Man,
Dats oppenbare an di oec dan,
want Galaat di al metten paerde
Inden tornoy stac ter aerde. (5697-5700)

 

Jij [Lancelot] vocht tegen de ‘Goede Man’ [Galaat], en dat kon je merken ook, want in het toernooi stak Galaat jou met paard en al tegen de grond.

Dit refereert aan het begin van hoofdstuk 5: Lancelo(e)t en Perchevael ontmoeten Galaat incognito. Lancelo(e)t valt Galaat aan met zijn lans en wordt door hem met paard en al tegen de grond gestoken. Vervolgens slaat Galaat met zijn zwaard Perchevael zo hard op diens helm dat ook hij van zijn paard valt. Nota bene! In het Middelnederlands. In de Franse brontekst valt Perceval niet van zijn paard. Natuurlijk niet, want Perceval is één van de drie uitverkoren Graalridders. Maar wat leest het Frans in de drie edities die ik als vergelijkingsmateriaal gebruik?:

Bogdanow, p. 374: Bien t’i mellas tu, quant tu a Galaaz ton fil vossis joster, a cele hore que il abati to[n cheval] et [le] Perceval ensemble.
Pauphilet, p. 175: Bien t’i meslas tu, quant tu a Galaad ton filz vousis joster, a cele hore qu’il abati ton cheval et le Perceval
Sommer, p. 103: bien ti mellas tu quant [tu] a galaat ton fil volsis ioster a icel[e] hore qui[l] abati ton cheual & le perceual ensamble

Volgens de wijze man die hier Lancelot ietwat sarcastisch de les leest, werd het paard van Lancelot (samen met zijn berijder) door zijn zoon Galaad tegen de grond gestoken evenals (het paard van) Perceval. Op deze plaats verschillen de Franse redacties allemaal iets van elkaar. Dat komt niet alleen omdat Franse kopiisten van de Queeste zich enige vrijheid veroorloofden, maar ook omdat men de gebeurtenis waaraan gerefereerd wordt niet meer helder voor ogen had. Is dat niet grappig? Het staat fout in alle drie de Franse edities en goed in het Middelnederlands. Kom je niet vaak tegen.
Pas op! Als je naar voetnoot 4 van Sommer kijkt dan zijn er twee handschriften met nagenoeg dezelfde lezing als de Middelnederlandse vertaling: G and MS.: “& sen pere ensamble”: Galaad stak jouw paard en zijn vader tegen de grond. G is handschrift London Royal 14 E iii en MS. is handschrift London Add 10294. Dat deze twee handschriften volgens Pauphilet binnen zijn hoofdafdeling α een aparte subgroep Σ vormen, weet ik dankzij Reindert van Eekelen.
Waarom Sommer, die Add 10294 als basis handschrift voor zijn editie nam, hier zijn handschrift niet gevolgd heeft maar koos voor de lezing van andere handschriften, is mij niet duidelijk.
Eerder in hoofdstuk 7 staat een opsomming van nakomelingen van Celydoines, zoon van Nascien, de eerste christen koning van Schotland. Namen zijn zeer gevoelig voor corruptie en daarom betrouwbare getuigen voor verwantschap. Als derde in de opsomming lezen Pauphilet en Bogdanow respectievelijk “Elyan le Gros” en “Helayn le Gros”, de handschriften Londen Add 10294 en London Royal 14 E iii respectievelijk: “elyan li gros” en “alain li gros”, waar in de Queeste “Cham” staat, wat heel makkelijk een verlezing kan zijn van “alain”. Eerder in Queeste r. 5184 verlas de vertaler “homs” (waarschijnlijk las hij homs) als ‘lions’. Nummer 4 in onze Queeste is “Helyas” (r. 5427), wat niet overeenstemt met Pauphilets “Ysaies” noch met Bogdanows “Ysais”, maar weer wél met de handschriften Londen Add 10294 en London Royal 14 E iii, die beide “Helyas” lezen.

Ik vat samen: 1) Er moet een principieel verschil gemaakt worden tussen enerzijds de vertaling van de Queeste en anderzijds de redactie die bewaard bleef in de Lancelot-compilatie. 2) Er is géén reden om aan te nemen dat de vertaler bekortend te werk ging. Wij doen er verstandig(er) aan alle bekortingen en afwijkingen toe te schrijven aan de compilator. 3) Philip Utenbroeke is een mirakels goede kandidaat voor de rol van vertaler. Hij past naadloos in het taalprofiel: Vlaams, vermoedelijk Brugge. En als Jacob de Historie vanden Grale vertaalde, Lodewijc van Velthem het Merlijn-vervolg daarop, dan is het toch niet te vergezocht om Philip La queste del saint Graal toe te vertrouwen. 4) De vertaler heeft een voorvader gebruikt van het duo Londen Add 10294 en London Royal 14 E iii, want beide handschriften zijn jonger dan de vertaling. 5) Boekwetenschap en filologie hebben onder andere dit met elkaar gemeen dat het belang van het detail moeilijk overschat kan worden.

Ik dank u voor uw aandacht!

 

* Anders dan tijdens mijn voordracht, toen ik als gevolg van een dooie muis niet kon inzoomen op de door mij getoonde afbeeldingen, kan de lezer dat nu wel.

** Het voordeel van een drukbezocht symposium boven de eenzaamheid van een studeerkamer is dat je soms mensen ontmoet die met hun kennis van zaken een heel ander licht op het onderwerp laten schijnen. Zoals mij afgelopen donderdag overkwam. Na afloop werd ik tot mijn verbijstering geconfronteerd met foto’s van een zeer recent ontdekt en geïdentificeerd 14e-eeuws Middelnederlands fragment met daarin duidelijk leesbaar het woord ‘miracleren’. Over wonderen gesproken … Deze vondst weerlegt mijn identificatie van Philip Utenbroeke als de vertaler. Ik kom hier één dezer dagen op terug.

Dit bericht is geplaatst in artikel, codicologie, edities, letterkunde met de tags , . Bookmark de permalink.