Ilja Leonard Pfeijffer als constructeur van het Centre Pompidou

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (43)

Door Marc van Oostendorp

Weinig recensenten konden nalaten om bij verschijnen van Brieven uit Genua deze passage te citeren:

En het belangrijkst is misschien nog dat Brieven uit Genua een nieuwe stap is, die is ingeleid met Het ware leven, een roman en voortgezet in La Superba, om al schrijvend de daad van het schrijven te thematiseren en de infrastructuur van het boek niet aan het zicht te onttrekken, maar op een schaamteloze manier opzichtig buitenom aan te leggen, zoals bij het Centre Pompidou in Parijs.’

Grappig is daarbij natuurlijk dat hier in het boek zelf staat hoe de infrastructuur van het boek moet zijn. (Op internet is een interviewtje te vinden waar de schrijver nog een stap verder gaat en zegt: “In La Superba heb ik de hele infrastructuur van het gebouw opzichtig aan de buitenkant aangebracht, zoals bij het Centre Pompidou in Parijs. In Brieven uit Genua laat ik de werkelijke bouwput zien met alle steigers en onafgewerkte constructies.”)

Decoratie

Het Centre Pompidou bestaat dit jaar veertig jaar. Zoals alle Nederlanders van zijn generatie uit de gegoede burgerij  heeft Pfeijffer het waarschijnlijk als kind gezien, toen hij door zijn ouders naar Parijs werd meegenomen. Voor de generatie van zijn ouders was Frankrijk nog hét buitenland, en zo werd het Centre Pompidou voor de Pfeijffer-generatie een icoon. Het is het ‘laatste moderne gebouw en het eerste grote postmoderne gebouw’, zoals de Franse Wikipedia weet. Het lijkt aan de ene kant volkomen ‘eerlijk’, met al die buizen aan de buitenkant die de binnenkant vrijhouden voor de eigenlijke, museale functie. Tegelijkertijd zijn die buizen zelf ook duidelijk decoratief en fraai én dienen ze als verwijzing naar negentiende-eeuwse industriële gebouwen. “Het is een gebouw dat de schijn ophoudt”, zei architect Renzo Piano, “een parodie op de technologie.”

In het werk van Pfeijffer zit diezelfde dubbelzinnigheid: de schrijver zet zichzelf erin ten toon en laat zien hoe hij bezig is om schrijver te zijn en dat lijkt op een vorm van eerlijkheid. Tegelijkertijd zijn al die buizen en pijpen erg fraai gekleurd, en decoratie en doen ze denken aan schrijvers die al eeuwenlang de buizen en de pijpen aan de buitenkant van hun boeken leggen.

Surrogaatpodium

Je zou bijvoorbeeld een studie kunnen doen naar overeenkomsten tussen La Superba en Land van herkomst van E. du Perron. Ik heb niet de indruk dat Pfeijffer dat boek erg goed kent, maar er zijn allerlei overeenkomsten aan te wijzen. In beide boeken wordt een verhaal vervlochten met commentaar van anderen en met brieven. Ze gaan ook nog eens beide over migratie.

De buizen zitten trouwens niet alleen in de door Pfeijffer genoemde romans. Ze vormen ook een belangrijk onderdeel uit van zijn toneelwerk. Ik geloof dat er geen enkel toneelstuk is waarin geen verwijzingen naar het toneel worden gemaakt. Al is het maar dat af en toe iemand zegt ‘het lijkt hier wel een toneelstuk’.

Het zit misschien nog wel het duidelijkst in de Italiaanse stukken Aaamaaaateeemiii en La pace denunciata uit 2009 en 2010 (dus geschreven tussen Het ware leven en La superba). In beide stukken zijn de karakters acteurs, en vooral de monoloog La pace denunciata zit vernuftig in elkaar. De rol heeft dezelfde naam van de actrice, die op zeker moment ook vertelt dat haar woorden komen van een uit Nederland naar Genua gemigreerde schrijver. Het stuk is trouwens tegelijkertijd een verdediging tegenover een jury – de rechtszaal biedt in heel veel van Pfeijffers werk immers een soort surrogaatpodium.