Gedicht: A. Roland Holst – Drie dichters en drie vrouwen

Drie dichters en drie vrouwen (III)

Er poogde een ochtend aan te breken,
wild, met oud licht. Bij het gordijn
stond hij en hoorde haar moe smeken
uit bed, en zag de vlekken wijn
die hij ’s nachts morste op zijn gedichten,
en suste haar verwarde aanklacht
met wat belofte en zelfbetichten;
ruimde zijn tafel op, en dacht:

Eén ding tenminste is niet onzeker:
zonder dat brandend ongeduld
van de lusten van bed en beker
zat ik hier, kaal en zonder schuld
en zonder onschuld, uitgemergeld
door woorden en hun dor krakeel,
vergeefs een laatste lied te tergen
uit een schorre keel.

A. Roland Holst (1888-1976)