De klank van testosteronproza

Door Vilan van de Loo

Wanneer een mens genoeg geweend heeft om bloemen die in de knop gebroken zijn, dan heeft die mens behoefte aan krachtig proza. Het soort dat activeert. Dat op tafel doet slaan en heerlijk vloeken. Ik adviseer: lees de militaire brieven van Van Heutsz.

Het is een riskant advies. Ten eerste is het volstrekt subjectief, want als zijn biografe heb ik een bovengemiddelde belangstelling. Ten tweede geldt de man tegenwoordig als fout in de koloniale oorlog, en daarmee als beladen onderzoeksonderwerp en ten derde (al zijn er nog vele andere bezwaren tegen Van Heutsz aan te voeren) geniet het testosteron dat door de brieven van Van Heutsz stuitert, tegenwoordig een verdachte reputatie. Voordat ik in een historische #metoo verzeild raak, citeer ik één zin van Van Heutsz:

Kletspraatjes, lasterlijke aantijgingen waartoe ik reken te behooren alles wat gewoonlijk de onbekende ploertige men zegt of meent gehoord te hebben, moeten achterwege blijven.

Het gaat over fake news.

Vlammend

De stijl tekent de man. En zijn situatie.  De zin komt uit een brief die Van Heutsz in 1908 stuurt naar De Savornin Lohman. Van Heutsz moet zich als gouverneur-generaal van Indië verdedigen tegen het vermeende fake news over de begane wreedheden te Atjeh. Dat steekt hem. Eerder liet hij onderzoek uitvoeren en de uitkomst ervan – geschreven door zijn toenmalige adjudant Hendrik Colijn – schrijft hij helemaal over. Met Colijn vindt hij: wanneer je een koloniale oorlog bestelt, dan krijg je een koloniale oorlog. Ontsporingen zijn onvermijdelijk.

Juist de woede die Van Heutsz voelt over de afgedwongen verdediging, scherpt zijn pen. De ene volzin na de andere rolt eruit, het is een vlammend betoog voor realiteitszin en waarheid, alles ten voordele van hemzelf. (Dat dan weer wel)

Die brief, inclusief de geciteerde stukken, is met een inleidend woord door ondergetekende, in druk verschenen.

Brieven

Het is nog maar enkele jaren geleden dat ik de stijl van Van Heutsz ontdekte. De gangbare vooroordelen over hem hadden mijn beeld al gevormd. Maar in mijn onderzoek naar de tehuisvader Pa van der Steur kwam ik Van Heutsz tegen als goedmoedige suikeroom, strooiend met overheidssubsidie. Wacht even. Tegenstrijdige informatie. Iets klopt er niet.

Aan een tafeltje in het Nationaal Archief las ik in de brieven van Van Heutsz. Lezend en lachend, soms de ogen dichtgeknepen, een brief met doorhalingen tegen het licht houden, ook ziend hoe strategisch hij met waarheid kon omspringen, elders schrikkend maar elke seconde geboeid. Toen is mijn verlangen ontstaan een biografie van Van Heutsz te schrijven. Daarbij kwam het verlangen om deze brieven te delen. Met dat laatste heb ik nu een begin gemaakt.

Overste

Van Heutsz was een enthousiast brievenschrijver. Hij heeft honderden kantjes vol gepend, die nu in uiteenlopende archieven liggen. Correspondentie is het, met een literair karakter. In de ideale wereld komen al deze brieven digitaal beschikbaar voor verder onderzoek, naar stijl en naar inhoud.

Mocht dat lukken, dan is er ook veel materiaal beschikbaar voor declamaties. Ooit hoorde ik Jérôme Reehuis weergaloos Fabriekskinderen van J.J. Cremer voordragen. Het gaf de tekst een rijke dimensie, die ook in de brieven van Van Heutsz ligt. Dat kan ik uit ervaring zeggen. Voor een lezing in Leiden bij de Werkgroep Indische Letterkunde, was de toenmalige overste van het Regiment Van Heutsz bereid uit de brieven voor te dragen. Een martiale stem schalde door de collegezaal, en haalde met gemak de achterste rijen. Zo’n stem dus. Gewend om te commanderen. Luid en duidelijk, en ook met gevoel. Zoals ik toen de woorden van Van Heutsz hoorde, zijn ze me altijd bijgebleven.

J.B. van Heutz Nota Geheim 1903 en de Atjeh-rel 1908. Onder redactie van Vilan van de Loo. Uitgeverij De Clercq Zubli, 2017. Bestelinformatie.