“Daert glat es moet men gliden ende sometijt met pinen staen, na dien dat d’aventuren gaen.” (Die queeste vanden Grale, r. 1194-1196)

Door Willem Kuiper

Het komt niet vaak voor dat ik in het publieke domein instemmend geciteerd wordt, maar onlangs overkwam het mij. In ‘Het handschrift als tijdmachine. Een interview met Jos Biemans, deel 1’ door Viorica van der Roest, laat Jos Biemans mij zeggen: “ja, het lijkt alsof het er staat, maar het staat er niet.” Een dag later trof diezelfde uitspraak mij als een boemerang toen bleek dat ik, weliswaar in zeer goed gezelschap, door het behang gegaan was, zoals wij dat hier in de Zaan zeggen. Maar eigenlijk begon de tragedie al een dag eerder.
Het gaat om het niet bestaande woord ‘miraclere(n)’. Dat kwam ik tegen in hoofdstuk 6 van Die queeste vanden Grale. Ik heb dat spontaan geëditeerd als ‘miracle’ en in een voetnoot de lezing van het handschrift vermeld: miraclere.

Maar toen ik hetzelfde miracl’e in hoofdstuk 7 nog eens tegenkwam, voelde ik nattigheid. “Kopiist B,” vertelde ik in mijn ‘Minicollege over Die queese vanden Grale’, “schrijft een rothand, maar fouten maakt hij nauwelijks.”


Sinds ik de CD-ROM Middelnederlands in december 1998 thuisgestuurd kreeg, staat de inhoud ervan op mijn harde schijf en raadpleeg ik hem haast dagelijks. Ook nu weer, en zag zo tot mijn verbazing dat Verdam ditzelfde ‘miraclere’ opgemerkt had in de Tweede Partie van de Spiegel historiael van Philip Utenbroeke: Middelnederlandsch Woordenboek, s.v. MIRAKELE. Dat Verdam het niet in Die queeste vanden Grale aantrof, kwam door Jonckbloet, die het beide keren stilzwijgend als “miracle” editeerde. Verdam, en die man kende een paar woorden, nam ‘miraclere’ serieus, en ik nam Verdam serieus, en zo ging ik de mist in.

Het zij mij vergeven dat ik op dit moment mijn hoofd verloor. Opeens zag ik hoe de cirkel zich sloot: de Lancelot-compilatie was een spin-off van Lodewijc van Velthems voltooiing van de Graal-Merlijn (1326) en de Spiegel historiael (1315-1335). Door zijn mecenaats relatie met Gerard van Voorne, die zijn vader Albrecht van Voorne († 1287) van 1289-1337 opvolgde als heer van Voorne, kon Lodewijc beschikken over boeken die Jacob daar voor Albrecht geschreven had, waaronder: Die historie vanden Grale, Torec, en wellicht ook een exemplaar van de Spiegel historiael. Lodewijc moet Philip Utenbroeke op zijn minst van naam gekend hebben als de auteur van de Tweede Partie, en als diezelfde Philip ook La queste del saint Graal vertaald had, mogelijk voor (de zoon van) dezelfde opdrachtgever van Die historie vanden Grale, dan heb je daar al een paar boeken uit de ‘Vulgaat’ en hoef je die ‘alleen maar’ aan te vullen met het nog ontbrekende Lancelot-deel en een vertaling van La mort le roi Artu om een Middelnederlandse versie van het vlaggeschip van de middeleeuwse Arturroman te water te laten. Een cover versie weliswaar, niet in proza maar op rijm, want zélf romans lezen dat deed men hier nog niet (of nauwelijks), beetje ingekort ook, en gelardeerd met wat romans waarin Walewein de hoofdrol speelde. Deze volle neef van koning Artur was hier te lande vele malen geliefder dan de echtbreker Lancelot, want voor ‘ons’ gold het huwelijk nog als een sacrament. En misschien bestond er al een (losse) vertaling van die Lancelot en prose. Houd ik niet voor onmogelijk. Vind een paar kopiisten die tijd vrij kunnen maken en vaart kunnen maken, en onder het motto ‘vele handen maken licht werk’ kun je de literaire sensatie van die jaren in het VlaBrants lezen, voorlezen, kopiëren en uitlenen. De klant is koning.

Wat ik in de euforie nagelaten heb te doen, is dezelfde zoekopdracht te geven met een wildcard voor een eventuele slot-n. Dat zou het ‘Middelnederlandsch Woordenboek’ geen 2 maar 3 treffers getoond hebben: VEGINGE. In dit lemma wordt verwezen naar een plaats in de Vijfde Partie van de Spiegel historiael, geschreven door Lodewijc van Velthem, waar het woord “miracleren” ook gevonden kan worden in boek VIII, capittel 16, regel 13. U kunt het met eigen ogen zien staan als u gebruik maakt van de website Digital Special Collections van de Universiteit Leiden en in het vakje ‘A word or phrase’ invult: “Velthem”. Dan krijgt u BPL 14 E aangeboden en dan gaat u naar fol. 90 verso, kolom a en daar ziet u het staan. In het derde deel van de monumentale editie van dit boek, bezorgd door Herman vander Linden, Paul de Keyser en Adolf van Loey, Brussel 1938, lezen wij op p. 375 als commentaar bij deze regel: “829 miraculen hs. : miracl’en, wat niet noodzakelijk in miracleren dient opgelost, zoodat de emendatie in miraculen M. W., 8, 1354 [dat is s.v. VEGINGE, WK], feitelijk vervalt. De kopiïst immers gebruikt vaak het teeken ’ als afkorting voor andere letters dan -er-, bijv. -heid enz., zie vs. 1705 ” Heb ik even voor u opgezocht, en daar staat op fol. 93 recto c: miracl’e.

Maar voordat ik hieraan toegekomen was, werd ik al na afloop van het afscheidscollege van Jos Biemans aangesproken door twee van zijn studenten, Daan Doesborgh en Stef Uijens, die mij op een telefoon een foto van een pas door hen ontdekt en geïdenticeerd Middelnederlands fragment vertoonden met daarop het woord “miracleren”, en niet in de Tweede Partie … Daar ging mijn hypothese.

Zou het inderdaad om een obscure afkorting gaan?, was mijn volgende gedachte, en vroeg Herman Mulder om hulp, van wie ik weet dat hij zich meer dan wie ook die ik ken, met Middelnederlandse afkortingen had beziggehouden. Het verlossende antwoord kwam haast per omgaande via e-mail: ‘miraclere’ bestaat niet, ‘miracule’ wel, en daar is het een afkorting van. Wetenschap is niet zozeer zelf iets bedenken als wel weten wat een ander weet. Dat is ook een one-liner van me, en hoe waar die is, moge uit deze casus blijken. Via Google vond ik de rede die Willem de Vreese op 14 juni 1933 uitsprak in de vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, afgedrukt in het Jaarboek, getiteld ‘Paradox over den grooten nood der Nederlandsche philologie.’ In die rede verwijst De Vreese naar Verdams “miraclere’ en zet er een groot rood kruis over heen:

“In Jacob van Maerlant’s Spiegel Historiael, uitgave van Eelco Verwijs en M. De Vries II 5, 34, 13 kan men de volgende verzen lezen:

Desen heiligen man
wies die gracie Gods so an,
dat miracleren bi hem gescieden.

Dit heeft Verdam 4, 1643 i.v. mirakele de volgende woorden in de pen gegeven: ‘in dezelfde bet. komt bij Utenbroeke voor miraclere, dat misschien komt van een mlat. miracularium, hetwelk evenwel bij Ducange niet staat opgeteekend. De uitgevers hebben het op twee plaatsen veranderd, doch op de derde laten staan’.

Inderdaad: II 2, 29, 20 en 22 heeft de uitgave: miracle. Maar het Mnl. Wdb. stelt den gang van zaken verkeerd voor: ‘de uitgevers’ hebben de lezing van het hs. op die twee plaatsen niet veranderd, ze hebben dit op twee plaatsen goed gelezen en op de derde verkeerd: ze hebben dit teeken, waartoe de gesuscribeerde u allengs verbasterd is, aangezien voor het verkortingsteeken voor -er-. In het handschrift zal staan: miracl’e = miracule, dat verkeerd gelezen is als miraclere. Ook Lelong heeft in zijn uitgave van Lodewijk van Velthem’s Rijmkroniek 8, 16, 13 miraclere gelezen en gedrukt, maar ter eere van Verdam moet gezegd worden dat hij, die plaats uit Velthem in dl. 8, 1354 van het Mnl. Wdb. aanhalende, Lelong’s verkeerde lezing naar den eisch geëmendeerd heeft.”

Hoewel de naam van De Vreese op de titelpagina van dit deel 3 ontbreekt, heeft hij wél meegewerkt aan de delen 1 en 2, en daarom mogelijk weet gehad van deze wonderlijke vorm. Herman Mulder vertrouwde mij toe dat hij De Vreese’s interpretatie van die gedegenereerde gesuscribeerde letter u niet deelt. Zelf denk ik dat De Vreese misschien ongelijk heeft met zijn bewering dat ‘miracle’ de goede voluitgeschreven vorm is. Liever los ik het op als ‘miracule’. Capelli, de kleine bijbel der abbreviaturen, bevat deze afkorting overigens niet.

Gaan wij nu weer terug naar de Queeste dan zien wij vóór de afgekorte vorm in de hoofdstukken 6 en 7 dit woord twee maal voluit geschreven staan als “miracule”. Vervolgens schrijft kopiist B twee keer “miracl’e” om te eindigen met twee keer “miracle”, zonder abbreviatuur, net zoals het er in het Frans staat.

Inmiddels bent u, hoop ik, gaan begrijpen wat ik destijds bedoelde te zeggen met: Het lijkt er te staan, maar het staat er niet. Had het alleen graag aan een ander geval gedemonstreerd. Het goede nieuws is dat het gebruik van deze toch wel zeer ongebruikelijke afkorting, als wij de CD-ROM Middelnederlands als een betrouwbare steekproef van de Middelnederlandse letterkunde mogen beschouwen, zeer beperkt is: Philip Utenbroeke en Lodewijc van Velthem in de Spiegel historiael, en Lodewijc Utenbroeke in Die queeste vanden Grale? Waar rook is, is vuur!

Dit bericht is geplaatst in artikel, letterkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

2 Responses to “Daert glat es moet men gliden ende sometijt met pinen staen, na dien dat d’aventuren gaen.” (Die queeste vanden Grale, r. 1194-1196)

  1. Anton schreef:

    Een sprokelezer die dit probleem al sprokeoplezend heel snel oplost zou gezegd kunnen hebben
    MIRACULERE
    zijn twintig toehoorders voor 200 milliseconden in verwarring brengend.

    Dat’s een stuk korter tijd albedal dan die we in 2017 en verder hier allemaal voor moeten vrijmaken.

  2. Rob Delvigne schreef:

    De ene letter vervangen door een ander kan je geen afkorting noemen.

Reacties zijn gesloten.