Zagen aan de stoelpoten van de Nederlandse taalkunde

Door Lucas Seuren

Nederland geniet al decennia veel aanzien in de wereld van de taalkunde. Mijn co-promotor merkt regelmatig op dat Nederland het land is met de hoogste concentratie taalkundigen per vierkante kilometer, en het onderzoek dat zij doen behoort tot de mondiale top. Wie taalkundig onderzoek doet kan niet om Nederland heen. Dat ligt deels aan de historie van het vakgebied. Henk van Riemsdijk, een van de grondleggers van de taalkunde in Nederland, legde dat een jaar geleden mooi uit in een column. In de jaren 70 en 80 behoorde de Nederlandse taalkunde tot de mondiale top; Nederland stond bekend om zijn taalkundig onderzoek. Maar in recente jaren wordt de taalkunde in rap tempo uitgekleed. Voor de kerngebieden, op syntaxis na, is steeds minder ruimte.

Maar Nederland genoot zeker in recente jaren niet alleen aanzien vanwege de kwaliteit van het onderzoek; we waren bijzonder goed in het opleiden van nieuwe taalkundigen. De Landelijke Onderzoeksschool Taalwetenschap, de LOT, organiseert jaarlijks een zomerschool en winterschool van twee weken, waarvoor internationaal geroemde taalkundigen uit de hele wereld afreizen naar Nederland om een intensieve cursus te geven aan promovendi uit binnen- en buitenland. Het is een fantastische mogelijkheid voor jonge onderzoekers om zich verder in hun onderwerp te verdiepen, maar ook om hun kennis te verbreden.

LOT-school

Omdat Nederland zoveel taalkundigen heeft wordt de organisatie van de LOT-school elke keer door een ander instituut gedaan. Op die manier worden promovendi uit Groningen en Antwerpen niet gedwongen om altijd maar lange afstanden te reizen, en bovendien krijgen de lokale organisatiecomités de mogelijkheid om hun eigen invulling te geven aan zo’n LOT-school. Dat is prettig, want niet elk instituut heeft dezelfde specialisaties, en zo komt elk vakgebied ook gegarandeerd aan bod.

Omdat die roulatie ook tot gevolg heeft dat promovendi soms fors moeten reizen voor de LOT-school waren er altijd logieopties waar promovendi met lange reisafstanden gratis gebruik van konden maken. Nou ja, niet geheel gratis: €1000 van je onderwijsbudget werd automatisch aan de LOT-school overgemaakt, deels om in die logieopties te voorzien. Maar daar komt nu een einde aan; voor de Winterschool in Amsterdam komend jaar moeten promovendi zelf hun verblijf regelen. Ze kunnen een hotel boeken, of moeten hopen dat ze bij iemand op de bank kunnen slapen gedurende een week of twee.

Verbreding

Die ontwikkeling is funest en zal ongetwijfeld de doodsteek zijn voor de LOT-school in zijn huidige vorm. Promovendi uit afgelegen gebieden zoals Vlaanderen en Groningen moeten vrijwel altijd forse afstanden afleggen voor de LOT-school en dus elke keer een hotel boeken. Maar daar hebben ze helemaal geen geld voor. Het alternatief is dagelijks reizen, maar niemand zit te wachten op vier tot vijf uur forenzen, elke dag, gedurende een of twee weken. Niet in de minste plaats omdat treinen nog wel te laat zijn, en je geen garantie hebt dat je veel gedaan krijgt in de trein als je weer eens moet staan. De LOT-school wordt dus alleen toegankelijk voor promovendi die veel geld hebben of in de Randstad wonen en dus relatief weinig reistijd hebben.

De andere kant van het verhaal is dat aan de roulatie van de organisatie spoedig een einde zal komen. Het is nu al moeilijk om promovendi uit Nederland naar Groningen te krijgen voor bijvoorbeeld een brede taalkundeconferentie. Hoe denkt de LOT dat dat gaat lukken met een zomerschool van een of twee weken? Tenzij er een docent is wiens onderzoek direct gerelateerd is aan wat een promovendus doet, zal iemand zich wel twee keer bedenken voor hij of zij besluit op eigen kosten naar Groningen—of Antwerpen, of Leuven—af te reizen. Het afschaffen van de verblijfsvergoeding zal er direct toe leiden dat promovendi zich nog meer richten op hun eigen onderzoek, en aan elke vorm van verbreding komt snel een einde. Tot zover de kwaliteit van het Nederlands onderzoek.

Bursalen

Maar wacht! De problemen houden daar niet op. Promoveren in Nederland was tot op heden erg aantrekkelijk, niet alleen voor Nederlandse onderzoekers, maar voor talenten uit heel Europa. De voorzieningen voor promovendi in Europa zijn buiten Nederland veelal matig, en onderzoekers raden hun studenten dan ook vaak aan om te kijken of ze een plek kunnen krijgen in Nederland. Niet alleen vanwege de LOT-school, maar ook omdat je hier vier jaar krijgt om je proefschrift te schrijven tegen best acceptabele arbeidsvoorwaarden.

En ook die arbeidsvoorwaarden staan onder druk. Toen ik begon met promoveren 3,5 jaar geleden kon je daar al iets van merken. Ik kreeg een contract voor 0,9 fte en dat was niets meer dan een bezuinigingsmaatregel; ik werk natuurlijk niet minder dan iemand met een voltijdsaanstelling. Sinds kort is Groningen van start gegaan met het bursalenexperiment. Nu zie ik wel dat meer promovendi goed kan zijn, maar het systeem levert amper meer promovendi op, en die hebben bovendien slechtere arbeidsvoorwaarden: minder inkomen, geen pensioenopbouw, etc. En nu dreigt ook de termijn te worden ingekort.

Al tijdens het bursalenoverleg werd aangegeven dat het plan was om de Research Masters te gaan behandelen als onderdeel van de promotie: studenten beginnen feitelijk met hun promotieonderzoek in het laatste jaar van hun master. Daar zijn nogal wat problemen mee: er zijn bij lange na niet genoeg plekken voor al die studenten, en ze worden bijna gedwongen om in Groningen te blijven. Bovendien wordt het lastiger voor niet-Groningers die plots extra werk moeten doen voor ze aan de slag kunnen.

Amerika, maar dan niet

De laatste stap wordt mogelijk ook gezet binnenkort; er wordt druk uitgeoefend op de graduate schools om de promotietermijn te verkorten van vier jaar drie jaar. Immers, als studenten al een jaar hebben gewerkt aan hun onderzoek, kunnen ze met een jaar minder af. Als de doelstelling is om het Nederlands onderzoek om zeep te helpen, dan zijn er weinig betere stappen mogelijk.

Ten eerste vergeet men met zo’n maatregel dat een masterstudent niet hetzelfde is als een promotiestudent. Het hele idee van een masterscriptie is dat een student daarmee laat zien dat hij of zij onderzoek kan doen. De kwaliteit van het onderzoek ligt dus op een heel ander niveau dan dat tijdens de daadwerkelijke promotie. Zelfs in de Verenigde Staten, het land waaraan Nederland zich zo graag wil spiegelen, snapt men dit verschil. Masterstudenten zijn daar nog druk bezig met vakken volgen en grip krijgen op de theorie en methodes. Hun echte onderzoek begint pas als ze hun masterfase hebben afgerond.

Bovendien is er voor alle masterstudenten in de VS ruimte om daarna te promoveren; hier moet een student dus een studie afronden om te mogen promoveren, maar krijgt geen enkele garantie dat hij of zij ook echt mag promoveren. Dat maakt het ze niet makkelijker op de arbeidsmarkt; je geeft ze feitelijk een beroepsopleiding tot academicus, maar de overgrote meerderheid moet zijn geluk elders zoeken.

Naar de middenmoot

De druk om in drie jaar te promoveren zal funest zijn voor de kwaliteit van het onderzoek. Promovendi zijn nu al minder bezig met verbreding dan voorheen, en de ontwikkelingen bij de LOT-school en de strakke deadlines zullen aan verbreding helemaal een einde maken. De werkdruk zal toenemen, met stress en burnouts tot gevolg—nu al geen zeldzaamheid in de academie en onder promovendi—en daarmee wordt de kwaliteit van het onderzoek ook slechter.

Als we willen dat Nederland van mondiale topspeler in de taalkunde definitief terugvalt tot de middenmoot, of dat we net als het Nederlands elftal straks moeten hopen op het falen van andere landen om ons überhaupt te mogen meten met de wereldtop, dan moeten we vooral op deze manier doorgaan. Promovendi doen het leeuwendeel van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland, zij zorgen voor de resultaten en publicaties waar onderzoekers door onderwijsdruk niet aan toekomen. Door promovendi het leven zuur te maken zagen we aan de stoelpoten van de Nederlandse taalkunde. Op dit tempo zal er spoedig weinig meer van over zijn.