Wat als Gregor Samsa niet in een kever was veranderd, maar in een paard?

Door Marc van Oostendorp

Wanneer ik jullie ontroerende anekdotes vertel over mijn dochtertje, Cinzia, en wat voor grappige dingen ze gisteren allemaal zei, dan hangen jullie natuurlijk aan mijn lippen. Maar als ik daarna vertel dat Cinzia helemaal niet bestaat, worden jullie waarschijnlijk kwaad. Dat Cinzia zulke grappige dingen heeft verteld en dat ze niet bestaat, dat kan namelijk niet allebei waar zijn. Tegelijkertijd heeft geen enkele lezer van In de ban van de ring problemen met de gelijktijdige waarheid van de volgende twee zinnen:

  1. Frodo Balings is een hobbit die geboren is in de Shire.
  2. Frodo Balings is verzonnen door J.R.R. Tolkien.

Hoe zit dat? Waarnaar verwijst de eigennaam Frodo Balings in deze zinnen? Aan deze kwestie is een nieuw, speciaal nummer van het tijdschrift Theoretical Linguistics gewijd (€). De vraag is hoe de twee zinnen allebei waar kunnen zijn.

Het nummer wordt geopend door een artikel van de Groningse onderzoeker Emar Maier, die probeert een heel precieze, wiskundige theorie van ons begrip van eigennamen op te zetten – een theorie die je zou kunnen implementeren zodat een computer ook chocola kon maken van fictie. De overige artikelen zijn commentaar op Maier door andere geleerden, en een afsluitend woord van Maier zelf.

Middenaarde

Je zou kunnen denken dat zin 1 een soort afkorting is van ‘In In de ban van de ring is Frodo Balings een hobbit die geboren is in de Shire’. Het probleem is echter (volgens de geleerden, ik ken dat hele boek niet) dat dit niet letterlijk zo in Tolkiens werk staat: het is alleen maar een triviale logische conclusie uit wat er zoal wél in te berde wordt gebracht (dat hij een hobbit is, dat hij geboren is in een bepaalde plaats, dat die plaats in de Shire ligt). Frodo bestaat echt, maar binnen een bepaalde wereld, die door In de ban van de ring naar voren wordt gebracht, en binnen die wereld heeft hij bepaalde eigenschappen.

Zo stelt Maier de zaken ook voor: fictie is een opdracht aan de lezer of luisteraar om je een bepaalde situatie voor te stellen, een eigennaam is daarbinnen de opdracht om je voor te stellen dat er iemand is die deze eigennaam draagt. Je creëert als spreker dus in de hoofden van je publiek een wereld binnen de huidige wereld.

Gewonde grenadier

Over die wereld kun je ook weer speculeren. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen wat er zou gebeuren als Gregor Samsa (uit Kafka’s Gedaanteverwisseling) niet in een kever was veranderd maar in een paard. Of als Gregor eigenlijk Jozef heette. Je komt dan terecht in werelden die helemaal niet in de fictieve wereld van Kafka passen, maar er wel een bepaalde relatie mee hebben. (Zoals een van de commentatoren op Maiers stuk zegt, kun je ook te ver gaan. Wanneer je zegt dat Gregor Samsa in Middenaarde woonde, zal je publiek eerder protesteren dan wanneer je zegt dat Gregor Samsa een oudere broer had.)

Nog zo’n kwestie, maar dan de andere kant op: soms dringen in fictieve werelden personen binnen met de naam van een bestaande persoon. In een verhaal over de Slag bij Waterloo komt de persoon Napoleon voor die iets zegt tegen een gewonde grenadier. De lezer van dat verhaal mag er dan redelijkerwijs vanuit gaan dat Napoleon op Corsica geboren is, zichzelf ooit tot keizer heeft laten kronen, enz., zolang dat in het verhaal niet wordt tegengesproken. Tegelijkertijd trekt de lezer niet de conclusie dat de echte Napoleon dus noodzakelijkerwijs ooit iets tegen een gewonde grenadier heeft gezegd.

Auteurschap

Verzonnen personen bestaan dus altijd op minstens twee niveaus: in hun eigen verzonnen wereld als (bijvoorbeeld) mensen, of hobbits, van vlees en bloed, en in onze wereld – als creaties van een auteur, of als óók een mens van vlees en bloed.

Een van de interessantere bijdragen aan de discussie in Theoretical Linguistics komt vervolgens van de Nijmeegse taalfilosoof Bart Geurts en gaat over de vraag waar die fictieve wereld zich dan precies bevindt. Waar Maier zegt dat die wereld gecreëerd wordt in het hoofd van de lezer of luisteraar, houdt Geurts het erop dat ze zich ergens in de sociale ruimte bevindt tussen de spreker en de luisteraar, als een set van afspraken waar zij zich beiden even aan beloven te houden (‘we doen nu net alsof Frodo Balings in The Shire geboren is’). Ieder verhaal is dan een soort rollenspel.

Hoe interessant al deze beschrijvingen ook zijn, voor mijn gevoel ontbreekt er een dimensie aan de beschouwingen van Maier, Geurts en hun collega’s en dat is precies die van het auteurschap. De fictieve wereld van een verhaal is niet zomaar een wereld die verder op de onze lijkt, zij het met eventueel allerlei vliegende schotels of kleine mannetjes met grote behaarde voeten, maar een wereld die door iemand bedacht is. Je kunt eigenlijk niets van Frodo’s gedrag begrijpen tenzij je begrijpt dat Frodo door Tolkien gemaak is, dat er achter ieder van Frodo’s gedragingen een bedoeling zit – niet alleen de bedoeling van Frodo, maar ook die van Tolkien. Het is de laatste die ons iets wil vertellen met wat hij Frodo laat zeggen, voelen, denken en doen. Het verband tussen de zinnen 2 en 1 hierboven is op een bepaalde manier een oorzakelijk verband. Dat is precies wat een verhaal tot een verhaal maakt.