Was het Nederlands in de 17e eeuw echt zo anders? Deel 1: werkwoordverdubbeling

Door Cora van de Poppe

Was het Nederlands in de 17e eeuw echt zo anders?

Met deze vraag probeerden wij, het project Language Dynamics in the Dutch Golden Age, afgelopen zaterdag 30 september bezoekers van het DRONGO Talenfestival 2017 naar ons lab te trekken – toegegeven, ook de oudhollandse dropjes hadden een behoorlijke aantrekkingskracht op de taalliefhebbers. Het DRONGO Talenfestival is een tweedaags programma waar universiteiten en bedrijven of organisaties uit de taalsector bij elkaar komen om door middel van spoedcursussen, lezingen en debatten de nieuwsgierige bezoekers in te lichten over de nieuwste taalonderzoeken en andere innovaties in de taalsector. In de labs kunnen bezoekers bovendien live wetenschap ervaren door mee te doen aan allerlei testjes.

Taalvariatie

En zo stond tussen ‘De trommeltaal van Senegal’ en ‘Het praten met een robot’ ons lab over het zeventiende-eeuws Nederlands. Het Nederlands was in de vroegmoderne periode volop in beweging. Terwijl het Middelnederlands zich laat kenmerken door dialectverscheidenheid, werden in de vroegmoderne periode verschillende pogingen ondernomen om de positie van het Nederlands als eenheidstaal van de Republiek te verstevigen, bijvoorbeeld door de publicaties van woorden-, spelling- en grammaticaboekjes. Daarnaast was er ook sprake van natuurlijke taalontwikkeling: eigenschappen uit het Middelnederlands verdwenen en maakten plaats voor nieuwe taalconstructies. Deze taalontwikkelingen, zowel natuurlijk als gereguleerd, resulteerden in veel variatie binnen het taalgebruik van vroegmoderne auteurs. Ons project onderzoekt deze variatie: welke factoren brachten deze variatie tot stand en wat was de functie van taalvariatie?

Hoe vroegmodern is jouw taalgebruik?

In het lab maakten bezoekers door middel van een quiz en posters kennis met twee vormen van taalvariatie uit het vroegmodern Nederlands: werkwoordverdubbeling en variatie in dubbelobjectconstructies. De quiz was een digitale test die deelnemers confronteerde met zinnen als:

  1. Het schilderen is door Rembrandt gedaan geweest
  2. De man heeft het haar van zijn pruik gekruld gehad
  3. Ik leverde een baljurk een vrouw
  4. Ik vertrouw het geheim de stalknecht toe

Deze zinnen moesten beoordeeld worden op basis van het eigen taalgevoel: kunnen we deze taalvormen nu nog gebruiken? En daarachter schuilt de vraag: (hoe) verschilt het zeventiende-eeuws Nederlands van onze huidige taal? Verder hingen in ons lab een aantal postertjes met zinnen zoals:

  1. Ik ben getrouwd geweest
  2. Ik stuur de duif de koningin toe

Bezoekers konden onder de zinnen hun mening opschrijven: is het een goede zin? En zo ja, wat is de betekenis? In deze blog bespreek ik het fenomeen werkwoordverdubbeling. In deel 2 van deze reeks zal Jorik van Engeland ingaan op variatie in dubbelobjectconstructies.

Werkwoordverdubbeling toen

De zinnen 1 en 2 uit de quiz en zin 1 van de poster zijn voorbeelden van werkwoordverdubbeling: in een zin met hebben/zijn + voltooid deelwoord wordt het hulpwerkwoord nogmaals herhaald in voltooide vorm. In het vroegmodern Nederlands kwamen deze werkwoordverdubbelingen frequent voor en zij konden verschillende functies vervullen. P.C. Hooft bijvoorbeeld gebruikt de hebben-verdubbeling in zijn Historien als een irrealis (een werkwoordtijd die een niet-werkelijkheid aanduidt) wanneer hij schrijft over een jonker die zich aanstelde alsof (= niet werkelijk) hij bezeerd was door een paard.

Zeeker Fransch Jonker, wiens naam verduystert is, begon, in ’t ryden oover de tweede valbrug, zich aan te stellen oft hem een paardt hadde bezeert gehadt.

De verdubbeling kon ook gebruikt worden om aan te geven dat men schreef over een afgerond verleden (ter versterking van de ‘gewone’ voltooide tijd), maar daar was Hooft geen voorstander van, zo laat hij blijken in zijn Waernemingen op de Hollandsche Tael (ca. 1638), omdat het ‘een verdrietighe lankheit geeft, met de verdubbeling van ’t Verbum auxiliare HEEFT, GEHAD’. Hooft streefde naar beknoptheid en werkwoordverdubbeling paste, wanneer de functie ervan betwistbaar was, daarom niet altijd in zijn programma.

Werkwoordverdubbeling nu

Werkwoordverdubbeling is niet uniek voor het vroegmodern Nederlands. Op de vraag of een zin als ‘zij heeft het haar gekruld gehad’ nog kan in het Nederlands, kregen we in ons lab als reactie dat dit wel mogelijk was wanneer gekruld niet als voltooid deelwoord maar als bijvoeglijk naamwoord wordt geïnterpreteerd. Er had in dat geval ook kunnen staan ‘zij heeft het haar mooi gehad’. Hoewel niet alle taalgebruikers werkwoordverdubbeling goedkeuren, is het fenomeen nog steeds in gebruik in zuidoostelijke dialectvariëteiten en wordt op deze wijze geïnterpreteerd: het voltooid deelwoord wordt opgevat als bijvoeglijk naamwoord. Daarnaast wezen sommige bezoekers erop dat het voltooid deelwoord gekruld predicatief kan worden opgevat: de ‘ik’ heeft of had gekruld haar (daarover bestond discussie), maar heeft dit niet noodzakelijkerwijs zelf gedaan. Op deze wijze werd werkwoordverdubbeling al in het Middelnederlands ingezet, en sommige bezoekers bleken de zinnen nog steeds als zodanig te herkennen. Werkwoordverdubbeling interpreteren bleek echter lastig te worden wanneer het voltooid deelwoord niet als predicatief gebruikt of als bijvoeglijk naamwoord opgevat kon worden. Van vroegmoderne zinnen waarin een afgerond verleden wordt beschreven, als ‘hij heeft gerookt gehad’, of ‘wij waren uit de haven gezeild geweest’ konden de bezoekers weinig maken (behalve ‘hij heeft vast gerookte vis gegeten’). Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat het gros van de bezoekers als resultaat te zien kreeg: ‘Jouw taalgebruik is nauwelijks vroegmodern’.

 

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.