Verplicht boek voor alle Nederlandse taalkundigen

Door Marc van Oostendorp

Het kan niet gemakkelijk zijn om een Vlaamse intellectueel te zijn. Er is altijd gedoe om taal, op een manier die een Nederlander zich over het algemeen niet kan voorstellen: iedere keuze die je maakt in taalzaken – hoe nauwkeurig je je aan de standaard houdt, wat je precies als standaard beschouwt, hoeveel dialect je je permitteert – is niet alleen onderhevig aan de vooroordelen die overal aan taal vastzitten, maar ook al snel een politieke kwestie.

Een docent op de middelbare school moet bijvoorbeeld heel precies over deze zaken nadenken: wat voor regels hanteer ik voor gebruik van dialect in de klas? Hoeveel trek ik me aan van de normtaal zoals die in een ander land, Nederland, geldt? 

Goede leestips

Zo’n leraar heeft nu de beschikking over een overzichtelijk en helder geschreven handboek: De vele gezichten van het Nederlands in Vlaanderen, waarin 16 Vlaamse taalkundigen niet zozeer uit de doeken doen hoe het moet, maar met feiten uitleggen wat de wetenschap weet over de huidige stand van zaken en zo de belangrijkste begrippen in de discussie weet te verhelderen: hoe zit het nu eigenlijk met de ‘tussentaal’ waar iedereen het over heeft (die is veel minder Antwerps dan menigeen denkt)? Wat voor taal spreken jongeren met een migratie-achtergrond (dat is misschien helemaal niet zo’n coherente taalvariëteit)?

Het is een heel nuttig handboek geworden voor iedereen die in een betrekkelijk kort bestek op de hoogte wil worden gebracht van de wetenschappelijke discussie over taal in Vlaanderen, al is het maar doordat de auteurs tot de wetenschappelijke top horen in ons vak en redacteur De Sutter ze er allemaal toe heeft weten te bewegen een heldere stijl te handhaven, goede leestips te geven en alle kernbegrippen uit te leggen.

(Taal)culturen

Je kunt natuurlijk altijd zaken aanwijzen die ontbreken. Ik betreur bijvoorbeeld dat er geen apart hoofdstuk is over de relatie met het Frans (leenwoorden, grammaticale invloed) zoals die er wel is voor het Engels; hoewel je dat feit misschien op zichzelf al als een relevant taalpolitiek gegeven kunt aanwijzen. Ook een hoofdstuk waarin onderzoek naar de verschillende instituties wordt beschreven (de Taalunie, de VRT) had in dit boek geloof ik niet misstaan.

Veelzeggend is dat er aan het boek alleen Vlamingen meewerken – waarvan er twee in Nederland werken: Stefan Grondelaers en Walter Haeseryn, beide verbonden aan de Radboud Universiteit. Ik weet niet of De Sutter naar Nederlandse auteurs heeft gezocht, maar als hij het had gedaan, had hij ze waarschijnlijk niet gevonden. Er zijn eigenlijk nauwelijks of geen Nederlanders die zich bezighouden met de taalsituatie in Vlaanderen. Dat is deels waarschijnlijk een teken van de bijna wanhopig stemmende desinteresse die Nederlanders aan de land leggen voor hun buurland (of zelfs buurlanden). Ik denk dat de Nederlandsetaalkunde ervan zou profiteren als meer taalkundigen gebruik zou maken van het feit dat dezelfde taal in twee zo verschillende (taal)culturen functioneert. Wat dat betreft zou dit boek ook verplichte kost moeten zijn voor iedere Nederlandse taalkundige.

Nu valt het, is mijn ervaring, ook niet mee om als Nederlander iets te zeggen over de Vlaamse taalsituatie. Al snel vindt men dat je stelling neemt, en komt iemand die het niet met jouw positie eens is je uitleggen dat je niet begrijpt hoe het in Vlaanderen zit. (Als je een andere stelling inneemt, komt iemand anders je datzelfde uitleggen.) Maar ook in dat geval is het beter om goed beslagen ten ijs te komen. En ook dan is het boek van De Sutter en zijn collega’s onontbeerlijk.

Gert De Sutter (red.) De vele gezichten van het Nederlands in Vlaanderen. Een inleiding tot de variatietaalkunde. Leuven / Den Haag: Acco, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.