Pretonderzoekjes schaden ons allemaal

Door Lucas Seuren

SmirnovOnlangs publiceerden een aantal onderzoekers uit Maastricht, Liverpool, en Londen een artikel over de invloed van het nuttigen van een kleine hoeveelheid alcohol op de taalvaardigheid in een vreemde taal. De resultaten wezen uit dat als je een beetje gedronken hebt, je uitspraak in een vreemde taal iets beter wordt. Het is concreet en toegankelijk onderzoek en het kreeg daardoor flink wat media-aandacht: van Nu.nl tot Time, en van Editie NL tot The Independent. En dat is bijzonder jammer, want niet alleen valt er genoeg aan te merken op de onderzoeksmethode, maar dat juist dit soort onderzoek de kranten haalt versterkt de indruk dat psychologen en taalkundigen zich niet met serieuze dingen bezig houden.

Higgs en Einstein

Er is altijd een zekere afstand geweest tussen mensen binnen en buiten de academische wereld. Dat is niet zo gek natuurlijk; om onderzoeker te worden moet je je leven wijden aan fenomenen die bij niet-academici veelal weinig tot de verbeelding spreken. Wat moeten zij ermee dat het Higgs Boson is ontdekt, waarmee bewijs is gevonden voor de theorie dat het Higgs veld ervoor zorgt dat deeltjes massa hebben? (Mijn excuses aan natuurkundigen voor deze ongetwijfeld veel te simplistische weergave.) Of dat we nu weer zwaartekrachtgolven hebben gemeten en dus de Algemene Relativiteitstheorie opnieuw hebben bewezen. Voor wetenschappers is dat natuurlijk van enorm belang; dergelijke—peperdure—experimenten bevestigen ons beeld en begrip van het universum. Maar in het dagelijks leven merken we er niet direct veel van.

Toch is fundamenteel onderzoek relatief makkelijk te rechtvaardigen; zeker als je bedenkt hoeveel miljarden aan belastinggeld erin geïnvesteerd worden. Uitvogelen hoe de wereld om ons heen werkt is een van de belangrijkste drijfveren van veel wetenschappelijk onderzoek, en het is een kwestie die de mensheid al millennia bezighoudt. Onderzoek naar hoe de wereld werkt raakt dus aan wat het is om mens te zijn; het is onlosmakelijk verbonden met onze identiteit. Het is dus prachtig dat wanneer ontdekkingen zoals het Higgs Boson en Zwaartekrachtgolven worden gedaan, dit voorpaginanieuws is en experts worden uitgenodigd om de waarde ervan uit te leggen bij programma’s als De Wereld Draait Door.

Pretonderzoek

Ondertussen moeten wij taalkundigen het dus doen met de invloed van alcohol op onze uitspraak van een tweede taal. En dan weten we eigenlijk nog niks, want zoals Marc in zijn college ook opmerkte: het enige wat dit onderzoek aantoonde was dat een vermoeden dat veel mensen al hadden klopt. We leren dus niks nieuws. Bovendien is het inhoudelijk van het niveau “ventilatoren bieden verkoeling”. Ik zou het onder de noemer pretonderzoek willen scharen; onderzoek dat leuk klinkt, maar waar je helemaal niks aan hebt.

Daarmee wil ik niet zeggen dat al het onderzoek dat niet fundamenteel is gelijk pretonderzoek is; verre van zelfs. De Ig Nobelprijs is er bijvoorbeeld om eer te bewijzen aan onderzoekers die zich bezighouden met wat op het eerste oog ludiek lijkt, maar bij nader inzien toch zeer interessant is. Herinnert u zich het onderzoek naar nog? Dat zo’n partikel mogelijk universeel is, is van enorm belang, omdat het inzicht biedt in de functie van taal, waarom wij als menselijke soort taal hebben. Maar dit alcoholonderzoek biedt geen nieuwe inzichten—iets dat de onderzoekers nota bene zelf benadrukken—en zet je dus helemaal niet aan het denken.

We leven in een tijd waarin onderzoeksgeld schaarser en schaarser wordt. Minder dan 10% van de onderzoekaanvragen wordt gehonoreerd en dat aantal daagt al jaren gestaag. Het nieuwe kabinet trekt gelukkig €400 miljoen extra uit, waarvan de helft voor fundamenteel onderzoek, maar dat is bij lange na niet genoeg om Nederland als onderzoeksland op de lange termijn op de kaart te houden. En als je dan vervolgens aan niet-academici wil gaan uitleggen dat je dat geld wil gaan gebruiken om een experimentje op te zetten waarbij je vijftig Duitser een glaasje wodka geeft en vervolgens aan een paar Nederlands vraagt wat ze van het Nederlands vinden dat die Duitsers spreken, dan kijken ze je met recht aan alsof je van lotje getikt bent.

Slecht onderzoek

En als het nou goed onderzoek was, dan zou je het de onderzoekers misschien nog willen vergeven. Maar zelfs daar is geen sprake van. Het maakt zich schuldig aan bijna alle stereotype fouten die ten grondslag liggen aan de huidige crisis in de sociale wetenschappen. Er is niet op voorhand uitgerekend hoeveel proefpersonen er nodig waren; de proefpersonen zijn niet aselect geselecteerd; er zijn achterhaalde, en gebrekkige statistische methoden toegepast; er is niet goed gecontroleerd voor andere variabelen dan die in het onderzoek van belang waren; de geformuleerde hypothese sluit niet aan bij de conclusies; en zo kan ik nog wel even doorgaan. Dit alles zien niet-academici niet, maar de peer reviewers en de editors van het tijdschrift wel, en zij moeten de schrijvers dus erop aanspreken.

Als we aan mensen willen laten zien dat taalkundig onderzoek nuttig en interessant is, dat het zinvol is om onderzoeksgeld opzij te zetten voor studies naar de structuur en functie van taal, dan is het van levensbelang dat dergelijk onderzoek methodologisch en inhoudelijk deugdelijk is. Dat wat je verder ook vindt van Taalkunde, je je erin kan vinden dat taalonderzoekers bezig zijn met de vraag naar wat ons tot mens maakt. Taal is wat onze cultuur en onze samenleving mogelijk maakt; zonder taal geen beschaving. Het zou dus helemaal niet moeilijk moeten zijn om uit te leggen dat onderzoek naar taal van belang is.

Serieus

Hier ligt natuurlijk deels een taak voor taalonderzoekers zelf. Wij hebben de plicht om aan de maatschappij, die ons salaris en onze projecten immers veelal betaalt, uit te leggen waarom het goed is dat er geld naar ons onderzoek gaat. Een aantal mensen zoals Wim Daniëls en Marc van Oostendorp is daar actief mee bezig, en het geeft goede moed dat er een programma bestaat als De Taalstaat. Maar we moeten voorbij het niveau komen waar maatschappelijk interessant taalkundig onderzoek slechts geschikt is voor de koffie- of borreltafel. Sterker nog, we zouden ons moeten uitspreken tegen pretonderzoek dat aan die tafels besproken wordt; als het geen inzichten biedt, zou het gewoon niet gepubliceerd moeten worden. Als we willen dat de samenleving ons serieus neemt en blijft nemen, dan moeten we ook zorgen dat ons onderzoek serieus te nemen is.