Nijpend tekort aan universitair opgeleide docenten voor vwo-bovenbouw moet drastisch worden aangepakt

Een nieuw, simpel en efficiënt voorstel

Door Ben J.P. Salemans
universitair eerstegraads docent Nederlands uit Maastricht

Een gedreven vwo-eindexamenleerling, laat ik haar Femke noemen, sprak me enkele weken geleden aan: “Mijnheer Salemans, u zult het wel niet zo leuk vinden, maar ik ga toch maar geen Nederlands studeren aan de Universiteit Utrecht of ‘uw’ Radboud Universiteit in Nijmegen. Echt, ik vind Nederlandse taal en literatuur nog steeds heel interessant. En het leek me misschien ook wel wat om later leraar Nederlands te worden. Maar nu heb ik ontdekt dat je via het hbo, en dus eigenlijk via havo, net zo goed eerstegraads docent Nederlands kunt worden. Dan verdien je precies hetzelfde en mag je aan precies dezelfde klassen lesgeven als een universitaire eerstegrader! Dus als ik Nederlands aan de universiteit zou gaan studeren, heb ik daar nu het gevoel bij dat ik dan mijn universitaire mogelijkheden én mijn vwo-diploma aan het verkwanselen ben! Ik wil het uiterste halen uit mijn vwo-diploma. Daarom kies ik waarschijnlijk voor een andere universitaire studie: European Studies in Maastricht. Maar ik moet er nog over nadenken.”

Ja, dat was wel effe slikken. Femke is geknipt voor een universitaire studie Nederlands en ze zou een geweldige docent zijn. Maar haar bedenkingen snijden wel hout… Tijd voor maatregelen.

Tekort universitaire eerstegraders

Er is een tekort aan docenten in het voortgezet onderwijs. Ik richt me hier vooral op het tekort aan universitair geschoolde eerstegraads docenten in de vwo-bovenbouw. De afgelopen jaren hebben de staatssecretaris en minister, plus de onderwijskoepels VO-Raad (Nederlandse scholen voortgezet onderwijs) en de VSNU (Nederlandse universiteiten), plus Tweede Kamerleden als Duisenberg, Van Meenen en Ypma voorstellen en afspraken gemaakt om het voortgezet onderwijs te verbeteren en om meer studenten op universitaire lerarenopleidingen te krijgen. Die voorstellen en afspraken blijken niet afdoende te werken: het docententekort in de vwo-bovenbouw bestaat nog steeds en groeit zelfs.

Alleen universitaire eerstegraders voor de klas in vwo-4-5-6?!

In het Sectorakkoord van 17 april 2014 spraken staatssecretaris Dekker en de VO-Raad (vereniging van scholen in het voortgezet onderwijs, met o.a. schooltypen vmbo, havo, vwo) af dat in 2020 lessen in de vwo-bovenbouw voor 80 tot 85 procent door universitaire eerstegraders wordt gegeven. Dat was een afzwakking van de aangenomen motie-Duisenberg uit 2013, waarin nog werd geëist dat dat percentage in 2020 100 procent bedraagt. Docenten lichamelijke opvoeding en kunstonderwijs – vaak met een hbo-achtergrond of ‘graadloos’ – mogen overigens volgens het Sectorakkoord wel in de vwo-bovenbouw lesgeven: er bestaan immers geen universitaire eerstegraads lerarenopleidingen voor die vakken.

Op sommige scholen wordt in alle bovenbouwklassen van vwo én havo alleen lesgegeven door universitaire eerstegraders. Maar op veel scholen wordt nauwelijks of geen onderscheid gemaakt tussen hbo- en academische eerstegraders. Dat leidt ertoe dat vwo-leerlingen die overwegen via de universiteit docent te worden (onder wie Femke) gaan denken dat scholen niet geïnteresseerd zijn in hun universitaire achtergrond. Dat weerhoudt ze ervan om via de universiteit eerstegraads docent te worden.

Maar wat is dat onderscheid dan? Er bestaat wel degelijk een verschil tussen universitaire en hbo-eerstegraders. In de pdf-versie van dit artikel zien we bij punten 1 t/m 5 dat verschil verwoord door kamerlid Duisenberg, staatssecretaris Dekker, de VO-raad, de VSNU en minister Bussemaker. Ze stellen, ieder in hun eigen bewoordingen, vast dat vwo de afkorting is van voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en dat het logisch is dat docenten die lesgeven in de vwo-bovenbouw weten en ervaren hebben wat wetenschappelijk onderwijs en onderzoek inhoudt. Dat zijn universitaire eerstegraads docenten.

Het lijkt me verstandig om de werkterreinen van hbo- en universitaire eerstegraders opnieuw af te bakenen, zodat daar geen misverstanden meer over kunnen bestaan. De teneur van de afspraak in het Sectorakkoord is helder en ik stel voor dat iemand (een Kamerlid?) de volgende afspraak omgiet in een net wetsvoorstel, zodat de status van beide typen eerstegraders duidelijk wordt vastgelegd:

‘Afspraak Salemans’ over de werkterreinen van universitaire en hbo-eerstegraders:

In de vwo-bovenbouw moet in principe les worden gegeven door universitaire eerstegraders. Bij vacatures in de vwo-bovenbouw hebben universitaire eerstegraders automatisch voorrang op hbo-eerstegraders. Scholen die vacatures hebben die slechts voor een gedeelte vwo-bovenbouwlessen betreffen, moeten daarbij toch voorrang geven aan universitaire eerstegraders. Als een school bij een (gedeeltelijke) vacature in de vwo-bovenbouw een hbo-eerstegrader wil aanstellen, terwijl er ook universitaire eerstegraders beschikbaar waren, moet die school hierover altijd eerst verantwoording afleggen aan de Onderwijsinspectie of een andere controlerende instantie. Kort maar krachtig: het werkterrein van universitaire eerstegraders is de vwo-bovenbouw en het werkterrein van hbo-eerstegraders is de havo-bovenbouw.

Pas als bij vacatures in de vwo-bovenbouw door scholen actief is gezocht naar universitaire eerstegraders en die niet beschikbaar zijn, komen hbo-eerstegraders in aanmerking om les te geven in de vwo-bovenbouw. Ook mogen universitaire eerstegraders in de havo-bovenbouw lesgeven, als er onvoldoende lesuren beschikbaar zijn in de vwo-bovenbouw.

Geen elitair bedenkseltje, maar brede steun

Voordat ik word bedolven onder boze berichten van hbo-eerstegraders, wil ik benadrukken dat de hierboven cursief weergegeven principiële gedachte niet zomaar een elitair bedenkseltje van mij is. Dit idee is gewoon een belangrijk onderdeel van het Sectorakkoord 2014 en het wordt breed ondersteund door vrijwel alle betrokken instanties: een meerderheid van de Tweede Kamer (die in oktober 2013 voor de motie-Duisenberg stemde), alle scholen voor voortgezet onderwijs vertegenwoordigd door de VO-Raad (via Sectorakkoord 2014), alle universiteiten vertegenwoordigd door de VSNU (zie de brief van december 2015), de staatssecretaris (via het Sectorakkoord 2014) en de minister (blijkens haar reactie op die VSNU-brief, in januari 2016). Een bredere politieke steun is nauwelijks denkbaar.

Ter geruststelling van de hbo-eerstegraders die nu in de vwo-bovenbouw werken, wil ik opmerken dat het mij er vooral om gaat dat scholen in de nabije toekomst – de komende jaren zullen veel universitaire eerstegraders met pensioen gaan – bij het invullen van nieuwe vacatures in de vwo-bovenbouw zo veel mogelijk op zoek gaan naar universitaire eerstegraders en aan hen voorrang geven bij de invulling van die vwo-vacatures. Het lijkt me niet wenselijk om nu direct al hbo-eerstegraders uit de vwo-bovenbouw te gaan weren. Ook vanwege de praktische reden dat er te weinig academische eerstegraders zijn.

Sectorakkoord 2014: voor scholen vaak onuitvoerbaar

Veel scholen met een vwo-bovenbouw lijken, op het eerste gezicht, zich weinig aan te trekken van de afspraak uit het Sectorakkoord om zoveel mogelijk universitaire eerstegraders in de vwo-bovenbouw les te laten geven. Kijk maar eens naar hun vacatureadvertenties. Daarin wordt zelden of nooit specifiek naar ‘universitaire eerstegraders’ gevraagd, ook al werd in het Sectorakkoord afgesproken dat scholen o.a. in hun wervingsbeleid actief zouden gaan zoeken naar universitaire eerstegraders. Ik denk niet dat hier sprake is van onwil van vo-scholen. Scholen zullen best willen dat de lessen in vwo-4, vwo-5 en vwo-6 door universitaire eerstegraders worden verzorgd. Maar het probleem is dat die er vaak niet zijn. Er is nu eenmaal een tekort aan universitaire eerstegraders. Waarom zou je in dure vacature-advertenties vragen naar universitaire eerstegraders, als je al een paar keer hebt gemerkt dat die er gewoonweg niet zijn?

Tekort universitaire eerstegraders niet 105 fte maar 2.800 fte: “Spock, Alarmstufe rot!”

Hoe groot is het tekort aan universitaire eerstegraders nu eigenlijk? In hun brief aan de Tweede Kamer van 24 februari 2017 (bron) spreken de minister en de staatssecretaris aanvankelijk over een tekort van 800 fte (1 fte is een docent met een volledige aanstelling) voor het hele voortgezet onderwijs. Ook geven ze aan dat tekort voor het hele voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo, etc.) in 2025 zal zijn opgelopen tot 1.200 fte. De minister en de staatssecretaris geven in hun brief echter ook aan dat o.a. door de motie-Van Meenen/Ypma het tekort fors hoger zal uitvallen. Ze besteden in hun brief eigenaardig genoeg geen aandacht aan het Sectorakkoord 2014, dat het tekort aan vo-docenten én universitaire eerstegraders nog verder opdrijft.

Volgens mijn berekeningen, die in de langere pdf-versie van dit artikel worden toegelicht, vindt 10,5 procent van alle vo-lessen in vwo-4-5-6 plaats. Het vo-tekort van 800 – 1200 fte van de minister en de staatssecretaris kan dus worden omgerekend tot een tekort van plm.

105 fte universitaire eerstegraders. Dat lijkt mee te vallen. Maar in de pdf-versie wordt uitgelegd dat er eigenlijk een tekort is van 2.800 fte universitaire eerste-graders en dat impliceert dat er minimaal 4.375 universitaire eerstegraders moeten worden opgeleid!

De Duits nagesynchroniseerde Enterprise-kapitein James Kirk zou bij het vernemen van dit enorme verschil (geen tekort van 105 fte maar van 2.800 fte) roepen: “Spock, Alarmstufe rot!”. Dat grote verschil tussen beide tekorten is vooral te wijten aan het Sectorakkoord uit 2014 (dat stelt dat in de vwo-bovenbouw vooral door universitaire eerstegraders moet worden lesgegeven) en aan de motie-Van Meenen/Ypma van 1 juni 2016 (die stelt dat docenten in het voortgezet onderwijs in een keer ongeveer 16 procent minder van hun tijd aan lesgeven mogen besteden). Zonder het Sectorakkoord en de motie-Van Meenen/Ypma zou het tekort voor de vwo-bovenbouw inderdaad ‘slechts’ plm. 105 fte bedragen.

Minder inschrijvingen en minder gediplomeerden bij ulo’s

Daar komt nog eens bij dat het aantal inschrijvingen voor eerstegraads lerarenopleidingen de laatste jaren een lichte terugval kent. Dat staat in de CPB Notitie ‘Paden naar leraarschap’ van 10 februari 2017 (bron). In 2013 schreven zich bijv. 1157 studenten in voor een eerstegraads ulo (universitaire lerarenopleiding), in 2014 was dat aantal teruggelopen tot 1055 inschrijvingen (een daling van 8,8%) en in 2015 was dat verder gedaald tot 971 inschrijvingen (nog eens een extra daling van 8,0%). Ook het aantal afgestudeerden aan de ulo’s is de laatste jaren gedaald, zo blijkt uit het Factsheet van Stamos uit februari 2017 (bron). Het aantal ulo-gediplomeerden blijkt in de periode 2011-2015 met 10 procent te zijn afgenomen: van 1.057 gediplomeerden in 2011 naar 949 gediplomeerden in 2015.

Niet enkele maar alle vwo-bovenbouwvakken zijn ‘tekortvakken’

De minister en staatssecretaris stellen in hun brief van 29 november 2016 aan de Tweede Kamer dat er in het voortgezet onderwijs vooral vacatures bestaan bij de volgende (tekort)vakken: Vreemde talen (met name Engels), Wiskunde/ Rekenen, Nederlands, overige exacte vakken (Natuurkunde, Scheikunde). Ik richt me vooral op de vwo-bovenbouw. Dat klopt misschien als ervan uit wordt gegaan dat het tekort aan universitaire eerstegraders 105 fte zou zijn. Maar het tekort is haast dertig keer zo groot! We zagen al dat het 2.800 fte bedraagt als rekening wordt gehouden met de enorme impact op het docententekort van de motie-Van Meenen/Ypma en het Sectorakkoord 2014. We mogen er dus wel van uitgaan dat bij álle vwo-bovenbouwvakken waar universitaire eerstegraders les kunnen geven (uitgezonderd lichamelijke opvoeding en kunstvakken, waarvoor geen universitaire lerarenopleidingen zijn) grote tekorten ontstaan.

Veel maatregelen en twee bedenkingen daarbij

De afgelopen jaren zijn door de minister en staatssecretaris veel maatregelen getroffen om het tekort aan universitaire eerstegraders en andere vo-docenten aan te pakken. Die blijken niet afdoende te werken, omdat er nog steeds een tekort is. Daarmee is niet gezegd dat die maatregelen helemaal niet werken. Ze leveren zeker nieuwe eerstegraders op. Maar te weinig om de grote docententekorten weg te poetsen. De maatregelen worden weergegeven en besproken in Bijlagen A t/m C (in de pdf). Het is absoluut niet mijn bedoeling die maatregelen neer te sabelen. Maar ik wil er toch enkele bedenkingen bij plaatsen. Ik stel me daarbij voor hoe ik als universitair student op die maatregelen zou reageren.

Ten eerste kunnen studenten na het behalen van hun masterdiploma, dus na het afsluiten van hun studietijd, via verschillende postmaster-opleidingen hun eerstegraadsbevoegdheid halen. Maar veel studenten die net afgestudeerd zijn, zullen die postmaster-eerstegraadsopleidingen toch zien als een soort omscholingscursus. Is het aantrekkelijk om je om te scholen net nadat je bent afgestudeerd? Nee, je gaat als pas afgestudeerde natuurlijk eerst eens een tijdje rondkijken op de arbeidsmarkt, voordat je je gaat omscholen. Als je daar na maanden zoeken geen werk te vinden is, ga je misschien die postmaster-opleiding overwegen.

Mijn tweede bedenking is, dat op dit moment de meest gangbare en normale route op de universiteit om docent te worden is om na de bachelor een tweejarige masteropleiding op de universitaire lerarenopleiding te gaan volgen. Ik zou dat als universitair student niet echt een aantrekkelijke route vinden. In de bachelor van ruim twee, drie jaar leer je ontzettend veel en maak je kennis met wetenschap. Aan het einde van je bachelor, begin je als universitair student echt gefascineerd te raken door een of enkele specifieke wetenschappelijke onderwerpen waar je graag dieper op zou willen ingaan tijdens je master. Maar dat kan niet, want je wilt of wilde ook leraar worden en dan moet je master gaan volgen op de lerarenopleiding… Veel studenten kiezen dan voor hun passie, dat ene specifieke onderwerp waarover ze meer willen weten en dat ze willen gaan onderzoeken tijdens hun master. Weg is de potentiële docent!

Breid de in- en toestroming tot de ulo uit!

In hun brief aan de Tweede Kamer van 24 februari 2017 (bron) geven minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker aan hoe volgens hen het lerarentekort moet worden aangepakt. Ze zien vijf lijnen naar oplossingen. Vier daarvan hebben niet direct te maken hebben met universitaire studenten die met hun bachelor of master bezig zijn (1. bevorderen zij-instroom; 2. behoud van leraren voor het onderwijs; 3. activeren stille reserve; 4. beloning en carrièreperspectief – en daarmee wordt niet direct salarisverhoging bedoeld). Daarmee wil ik natuurlijk niet zeggen dat de vier genoemde oplossingen zinloos zijn. Maar de resterende, als eerste gepresenteerde, oplossing van de minister en staatssecretaris spreekt mij het meest aan: “1. Verhogen van de in-, door- en uitstroom van de lerarenopleidingen: als meer studenten kiezen voor de lerarenopleidingen en deze succesvol afronden dan zijn er straks meer leraren beschikbaar.” Daaraan zou ik willen toevoegen: “Zorg ervoor dat meer studenten gaan kiezen voor universitaire studies die als vakken in de vwo-bovenbouw worden gegeven. Als daar meer studenten op die studies afkomen, krijg je haast vanzelf ook meer studenten die instromen in de tweejarige master van de universitaire lerarenopleiding.”

Een nieuwe extra maatregel om tekort van 2.800 fte universitaire eerstegraders weg te werken

Hoe kunnen we zo snel mogelijk het tekort van 2.800 fte academisch eerstegraders wegwerken, nu veel maatregelen niet afdoende lijken te werken? Simpel:

Nieuwe, extra ‘maatregel Salemans’ tegen tekort: verleng de bachelor met een half jaar, waarin studenten een gratis eerstegraads universitaire lerarenopleiding kunnen gaan volgen:

Het tekort aan universitaire eerstegraders in de vwo-bovenbouw is zo fors, dat het tijd is voor nieuwe drastische maatregel (naast de andere maatregelen, die blijven gewoon bestaan). Die houdt in dat de universitaire bachelor van vwo-bovenbouwvakken met een half jaar wordt verlengd. In dat extra halve jaar, dat geheel voor rekening komt van de overheid, kunnen universitaire studenten een opleiding tot eerstegraads docent volgen. Als ze die opleiding van een half jaar met succes hebben afgerond, verdienen ze daarmee een voorlopige ‘didactische aantekening’. Na dat ‘gratis’ half jaar kunnen studenten doorgaan met vrij te kiezen masterstudies. Pas bij het afronden van hun masters worden hun voorlopige didactische aantekeningen omgezet in een eerstegraads bevoegdheid.

Je bent wel gek als je als student deze extra mogelijkheid laat schieten. Je verlengt je studietijd met een half jaar op kosten van Vadertje Staat. Je volgt tijdens je studie, en niet erna, een beroepsopleiding die na je studie je (vrijwel) gegarandeerd een baan in het onderwijs oplevert; na je studie zul je, als je dat wilt, vrijwel meteen aan de slag kunnen. En wat, geen leuk beroep? Tijdens je stages zul je zien dat het hartstikke leuk is om voor een klas te staan!

Nijmeegse pilot op Letteren- en Bètafaculteiten nodig?

Ik ben overtuigd van het succes van deze extra maatregel om veel extra universitaire eerstegraders te krijgen. Ook zal de maatregel ervoor zorgen dat diverse universitaire studies met teruglopende aantallen inschrijvingen meer studenten zullen trekken. Niet overtuigd? Misschien kan deze vernieuwde opzet via een pilotproject op ‘mijn’ Radboud Universiteit worden getest? Ik weet dat de Nijmeegse Letterenfaculteit én Bètafaculteiten hier wel belangstelling voor hebben.

Is 11.000 euro per student ofwel 50 miljoen euro in totaal te duur?

Als je als Tweede Kamer, als minister of staatssecretaris van OCW, als VO-Raad, als VSNU nadruk-kelijk hebt gesteld dat het uiterst belangrijk is dat er universitaire eerstegraders in de bovenbouwklassen van het vwo voor de klas staan, dan zullen daar financiële middelen voor beschikbaar moet worden gesteld. Ook als het tij tegenzit en door het Sectorakkoord en door de motie-Van Meenen/Ypma het tekort aan universitaire eerstegraads docenten in een keer wordt opgeklopt van 105 fte naar 2.800 fte: dat maakt de noodzaak voor een drastische maatregel en extra financiën alleen maar groter. DUO heeft een overzichtelijke webpage met een overzicht van veel subsidieregels voor docenten. Via die webpage zie je o.a. dat de overheid tot 5.000 euro per student beschikbaar stelt om studenten te stimuleren een educatieve master gaan doen om eerstegraads docent te worden. Ook kunnen studenten extra studiefinanciering aanvragen als ze na het behalen van hun masterdiploma een lerarenopleiding gaat volgen. Voor zij-instromers in het primair onderwijs stelt de overheid zelfs 20.000 euro beschikbaar. Tja, 20.000 euro voor een zij-instromer. Dan valt 11.000 euro per student toch mee?

Een langere (pdf-)versie van dit artikel, met meer toelichting en doorberekening van het voorstel staat hier.