Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (144)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Verlangen

Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht,
naar het naakte bijzijn van de minnaar smartelik getracht,
zij heeft in de grote leegte van haar wit bed, de peluw gekust,
als wilde ze zijn matte hoofd in rust gesust.

Haar hoofd was ongerust te midden van de wilde haregeur,
haar armen grepen, bang begeren, om’t onzekere genot
dat zich niet bieden wou, als een wrang gebod
aan haar verlangen, door de nacht, – ’n weerstandloze deur. –

Haar vingren koesterden de naaktheid van het eigen lijf en rilden;
het eigen lijf dat onvoldaan bleef en vermoeid, onder het geheim
van deze koestering; de nacht, als één levende adem, trilde.

Haar adem ging opgelost in de nachtelike adem,
haar verlangen tot de eindelike slaap gesmacht.
Meenge mooie meid door de zware, zwoele nacht.

(Paul van Ostaijen)

Er is een bepaalde manier van verleden tijden gebruiken bij het vertellen van verhalen die langzaam maar zeker ten onder dreigt te gaan. In dit gedicht van Paul van Ostaijen wordt hij nog in volle glorie gepresenteerd.

Ik kreeg er onlangs een e-mail over:Mijn zus schrijft dingen als: “Leuke site (ik kocht er een nieuw schort, oke misschien wel meer dan één…)” waarin ze de verleden tijd gebruikt waar ik een voltooide tijd zou gebruiken. (…) Ik vind het gek! Is dit taalvariatie of gewoon een curiositeit?

En inderdaad zou ik ook in het onderhavige geval hebben gezegd: “Ik heb op die site een nieuw schort gekocht” en niet “ik kocht er een nieuw schort”. In het algemeen zou ik, als ik een verhaaltje vertelde beginnen met de voltooide tijd, om daarna over te gaan naar de verleden tijd:

Ik ben naar Parijs geweest. Daar zag ik Frederic. Hij vertelde dat hij last had van zijn been.

Je verbindt met die voltooide tijd als het ware het heden met het verleden: het hulpwerkwoord (in dit geval ben) staat in de tegenwoordige tijd, maar hij brengt je terug naar het verleden. Iedere andere organisatie van tijden levert voor mijn gevoel een vreemd verhaaltje op:

Ik ben naar Parijs geweest. Daar heb ik Frederic gezien. Hij heeft verteld dat hij last had van zijn been.

In de derde zin met name begint die voltooide tijd te knellen. Nu weten we het wel, je bent inmiddels al zo betrokken bij de spannende geschiedenis dat je naar een verleden tijd verlangt. Als je de volgorde van voltooide en verleden tijd omdraait, krijg je echt een vreemd verhaal:

Ik ging naar Parijs. Daar heb ik Frederic gezien. Hij heeft verteld dat hij last had van zijn been.

Maar wat veel moderne sprekers – zoals de zus van mijn correspondent – doen, is die hele voltooide tijd overslaan en meteen aan een verleden tijd beginnen. Voor wat ouderwetse sprekers zoals ik heeft dat een in medias res-effect:

Ik ging naar Parijs. Daar zag ik Frederic. Hij vertelde dat hij last had van zijn been.

Paul van Ostaijen moest van dit soort malle moderne fratsen gelukkig ook niks weten. Hij begint het eerste kwatrijn met voltooide tijden: de meid heeft getracht en zij heeft de peluw gekust, om daarna alleen nog verleden tijden te gebruiken: zij was ongerust, haar armen grepen, haar vingren koesterden, haar lijf bleef onvoldaan, de nacht trilde, de adem ging. En in de laatste twee regels zijn er dan zelfs helemaal geen werkwoordstijden meer. De meid is ingeslapen.