In memoriam Jan Wolkers (1925-2007) {3}

Door Peter van Zonneveld

In de zomer van 1991 gingen mijn vriendin Gwynne en ik op Texel logeren. De ontvangst was buitengewoon hartelijk. Karina had ik nog niet eerder ontmoet. Ik zei tegen haar: ‘de eerste keer dat ik je zag, had je geen kleren aan.’ Dat was in 1968, bij die Jan Wolkers Show in de RAI. We maakten ook kennis met Bob en Tom, die toen een jaar of tien waren. Twee leuke, levendige ventjes met een brede belangstelling. Eerst een uitgebreide lunch, met gravlax en Illy koffie. Daarop zouden nog meerdere overvloedige maaltijden volgen.

Jan nam ons mee de prachtige tuin in om met zijn aanstekelijk enthousiasme allerlei moois te laten zien. Zijn favoriet was de eenbes, Paris quadrifolia, die eigenlijk alleen in Zuid-Limburg wil gedijen. Ze hadden een paar verkommerde exemplaren naar Texel meenomen. Wolkers vertelde ons het verhaal van Paris en de drie godinnen. Bob en Tom kenden het al. Het viel niet mee om die eenbes in bloei te krijgen. Karina zou later mededelen dat Jan woedend werd toen een merel er eens met een bes vandoor ging. ‘Lul!’ schreeuwde hij hem achterna. Kort na ons bezoek werd het boekje Wat wij zien en horen gepubliceerd. Jan stuurde het ons op met een hartelijke opdracht van hem en zijn twee jongste zonen.

Texel is één groot Verkade-album. Dat album had op Wolkers als kind zoveel indruk gemaakt, dat hij er later zou willen wonen. We zijn er twee dagen gebleven, en hebben heel wat natuurschoon gezien, zoals De Slufter, paars van de lamsoor. Maar ik heb vooral de gelegenheid aangegrepen om over zijn leven en werk te praten. Ik was indertijd verontwaardigd dat hij in de 40e, herziene druk van Kort Amerikaans het huis Pomona aan de Rijnsburgerweg had weggelaten. ‘Weet je hoe mijn huis op Texel heet?’ had hij bij ons eerste telefoongesprek gevraagd. Dat wist ik niet. ‘Pomona!’ riep hij toen triomfantelijk.

Naar aanleiding van dat boek vroeg ik nu: ‘Je zegt dat je ondergedoken was op de Lange Mare. Maar in feite had je daar gewoon een kamer gehuurd en liep je onbekommerd door de stad. Hoe kon dat?’ Zijn antwoord: ‘Ach, als je maar niet thuis woonde. En verder deed ik of die oorlog mij niet aanging.’ De oorlogsjaren kwamen later uitgebreid aan bod in de televisiegesprekken die Peter van Ingen in 1994 met hem voerde. Ze werden in 2008 uitgebracht op DVD onder de titel ‘Een oceaan van hoop’. Ik schreef het begeleidende boekje.

Wolkers vertelde ook dat mevrouw Van Iterson-Knoepfle, de foute directrice van Ars Aemula Naturae, hem uitgenodigd had om in het Rijksmuseum te exposeren. ‘Ik had de Rembrandt van het Derde Rijk kunnen worden’, zei hij. ‘Waarom heb je dat niet gedaan?’ ‘Het was natuurlijk best verleidelijk voor een jongen van achttien, maar mijn vader was fel anti-Duits. Het kwam gewoon niet in je bol op om daar op in te gaan.’

Later heb ik begrepen dat zijn vader voor de Duitsers heeft gewerkt, noodgedwongen, om zijn gezin te onderhouden. In 1941 kwam er nog een dochtertje, Lydia Beatrix Irene. Wie in dat jaar zijn kind zulke namen geeft, kan onmogelijk pro-Duits zijn. Het meisje is in 1944 gestorven, kort na Gerrit. Ik had omstreeks 1970 Gerrits graf bij het Groene Kerkje gefotografeerd; het meisje werd op die steen niet vermeld. Pas later, toen de ouders van Jan gestorven waren, werd haar naam wel op de nieuwe steen aangebracht. In zijn werk komt zij volgens mij niet voor.

In januari 1945 was Hella S. Haase met haar man en hun dochtertje Chrisje met een kinderwagen van Amsterdam naar Oegstgeest gelopen, omdat zij het in de hoofdstad niet uithielden van de honger. In Oegstgeest woonden de ouders van haar echtgenoot, Jan van Lelyveld. Daar hebben ze ook de bevrijding meegemaakt. Ook dat kwam ter sprake. Jan beweerde, dat zij later had gezegd: ‘Wanneer we elkaar toen waren tegengekomen, was ik zeker met je naar bed gegaan.’ Ik had daar mijn twijfels over en heb het kort daarna aan Hella Haasse zelf gevraagd. Ze schudde glimlachend haar hoofd..

Later, toen Jan Wolkers tachtig werd, beweerde hij in een televisie-interview zelfs dat hij toen met haar naar bed was geweest. Ook dat heb ik aan haar voorgelegd. Zij was toen 87. Nu glimlachte ze alleen maar. Ik zei: ‘Je moet het maar zien als zijn manier om zijn grote waardering voor je uit te drukken.’ Want waardering had hij. ‘Wat zij over mijn werk schreef, is het beste wat er ooit over gepubliceerd is’, vond hij. Beiden hadden een dochtertje van een paar jaar oud moeten verliezen. Hella Haasse kon daar nooit over praten zonder vol te schieten, en voor Jan Wolkers was het verlies van zijn Eva een van de trauma’s in zijn leven.

We maken een sprong in de tijd. Eind 2004 werd ik uitgenodigd om voor Meulenhoff een literair reisgidsje over het werk van Wolkers dat zich afspeelt in Leiden en Oegstgeest te schrijven. Het moest snel af. Toen heb ik weer een paar telefoongesprekken met hem gevoerd. Hij was heel ontspannen, maar kon zich de juiste adressen van de mensen die model hadden gestaan voor zijn personages, niet meer herinneren. Omdat hij wel de namen wist, was het voor mij een koud kunstje om die op het Leidse Gemeentearchief terug te vinden. Ik stuurde mijn boekje op naar Texel en ontving als dank zijn ‘Dagboek 1974’, met opdracht. Aan zijn handschrift kun je zien dat hij bijna tachtig is. In 2015, acht jaar na zijn dood, zou een derde, herziene druk verschijnen.

Op die tachtigste verjaardag werd in Leiden zijn Ode aan Rembrandt onthuld. Ik kon daar niet bij zijn, maar Gwynne, mijn vrouw, wel. Ze werd heel hartelijk ontvangen en moest zelfs op zijn schoot plaatsnemen. ‘Ik wil je graag naakt boetseren’ had hij geroepen. Daar is het niet van gekomen. Twee jaar later overleed hij. De uitvaartdienst op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam was indrukwekkend.

Toen ik in 2014 Karina ging opzoeken op Texel, rustte zijn as onder de tulpenboom. Het stekje dat hij ooit van de Leidse hortulanus Bavo Bruinsma had ontvangen, afkomstig uit Poelgeest, was intussen tot een forse boom uitgegroeid. In gezelschap van zijn vier zonen had Karina wat er van Jan over was, in een oude schilderstrui gewikkeld en hem daar begraven.

Bij mijn bezoek zaten we uren te praten in zijn atelier. Het leek of hij elk moment kon binnenkomen. Maar dat gebeurde niet. Ik heb niemand gekend die zó met volle inzet geleefd heeft als hij. Van álles kon hij intens genieten: van kunst, van literatuur, van vrouwen, van de natuur, van lekker eten en drinken, met een gulzigheid die alleen te verklaren valt uit zijn jeugd, toen ernst en soberheid de boventoon voerden. Daar heeft hij zich met al zijn creativiteit nadrukkelijk van bevrijd en zo zal hij in onze gedachten blijven voortleven.