Ilja Leonard Pfeijffer als Theocritus

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (37)

Door Marc van Oostendorp

Dat de bundel Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer krioelt van de verwijzingen naar het onomstotelijke feit dat de nacht komt en de winter evenzeer en dat het er ook anderszins allemaal weinig idyllisch aan toe gaat, dat moeten we, zeggen de geleerden, zien als een verwijzing naar de Griekse dichter Theocritus.

Maar hoezo doen die Idyllen dan denken aan het werk van Theocritus? In Brieven uit Genua zegt de schrijver zelf dat het een ‘hommage’ is aan die dichter, maar waarom is een hommage nodig? Hoewel Theocritus bekend staat als de uitvinder van het genre van de herderszang, komen in Pfeijffers Idyllen die herders slechts een keer voor, in de regel ‘Vertel me dat we liggen in het warme stro / en dat de wolken eenden dan wel herders zijn’. Dat lijkt me eerder een manier om degene die in de bundel op zoek gaat  naar herders in het gezicht uit te lachen (tenzij die persoon Nijhoff gelezen heeft).

We zijn nu op het punt in deze reeks aangekomen dat ik moet erkennen dat het eigenlijk geen doen is voor één man om alle aspecten van het werk Pfeijffer te bespreken.Hoe kan iemand nu alles weten wat Pfeijffer toevallig weet zonder Pfeijffer te zijn? Ik ben bijvoorbeeld nu niet bepaald een Theocritoloog. Men kan toch bezwaarlijk van de eerzame neerlandicus verlangen dat hij een studie klassieke talen doet om het onderwerp van studie te kunnen vangen:

Je ziet, ik heb klassieke talen gestudeerd.
Het woord ‘te gronde richten’ heb ik daar geleerd,
alsmede de van pas komende vaardigheid
om met een indrukwekkende deskundigheid
te praten over iets wat ik nooit heb gelezen.

Belangrijk is in ieder geval dat Theocritus een Alexandrijn was, en dus een lid van de school van geleerde schrijvers die zoveel mogelijk genres beoefenden en alleen al om die reden. Uit Pfeijffers overzichtswerk van de Griekse en Romeinse literatuur, De Antieken, kun je trouwens makkelijk karakteriseringen vinden van Theocritus die je zó op het héle werk van Pfeijffer kunt toepassen. Zo wordt erop gewezen dat heel veel van Theocritus’ gedichten gaan over het zingen van liederen, en dat de stijl “in hoge mate gepolijst en poëtisch [is], vol zeldzame homerische woorden en literaire allusies.”

Bovendien, wie denkt niet aan de baggeraar uit Het grote baggerboek, of eventueel zelfs aan Eugenie van Zanten uit Het ware leven als hij de volgende passage uit De Antieken leest:

De dichter spreekt tot zijn publiek over de hoofden van zijn personages heen. Dit heeft een ironisch effect. De geleerde lezer doorziet de naïviteit en onbeholpenheid van de simpele zielen die sprekend worden opgevoerd en begrijpt uit hun eigen woorden beter dan zij in welke situatie zij zich bevinden, hoe kansloos hun streven is en hoe weinig realistisch hun met passie verwoorde wensen.

Zowel de baggeraar als Van Zanten, en eigenlijk ook veel personages in toneelstukken van Pfeijffer, maken zichzelf belachtelijk door hun naïeve en onbeholpen manieren van uitdrukken. Deze Theocritische ironie is alomtegenwoordig in het werk van Pfeijffer.

Dát rechtvaardigt de hommage.