Gedicht: Willem Wilmink – Het meisje spreekt

Het meisje spreekt

Toen ik voor het eerst die dingen hoorde
Was ik dertien of veertien jaar.
Zag op weg naar school de mensen op straat
En dacht: die zijn naar bed geweest
Met elkaar.

Maar geen spoor van avontuur
En geen spoor van licht
In hun hele postuur,
In hun hele gezicht.

De eerste keer van mezelf
Ben ik bij dageraad voor het raam gaan staan,
En het licht van de zon bescheen
Een schoorsteen, een plat met kiezelsteen,
En ik zag daar mijn leven van jongs af aan.

Ik heb het ook weleens gedaan
Alleen maar voor de gezelligheid,
Dat heette dan dat je werd verleid.
En als je dan ’s morgens koffie maakt
Kan geen van de twee het zwijgen verbreken
En je voelt je op straat nog naakt.

Laatst heb ik een muur aangeraakt
Op een zomerse avond. Hij was warm.
Toen legde ik mijn hoofd op mijn arm,
En het was of ik weer dat kind zijn zou,
Als ik maar aftelde: zes, negen, tien,
Als ik maar riep: wie niet weg is is gezien.

Willem Wilmink (1936-2003)
uit: Het kind is de vader van de man (1989)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.