Gedicht: Omer Karel de Laey – Empédocle

Empédocle

Empédocle was ’n ‘wijze’ en
wilde zien waarbij het kwam,
dat de Siciliaanse Etna
lava spuwde en rook en vlam.

– Hoe men mag, tot heden toe, de
vorsers, die op elk gebied
alles mordicus doorsnufflen
‘wijzen’ noemen, vat ik niet. –

Nu tot daar. Hij klom dus daaglijks
op de berg, en zwart en vuil,
zat er uren lang te kijken
naar het zieden van de kuil.

Te vergeefs. Want Vrouw Natuur gedoogt
niet of gedoogt niet licht,
dat men roekeloos de sluier
rukke van haar aangezicht.

Daar hij dus de machtloosheid ont-
waarde van zijn speurderszin,
Sprong de Griek verbijsterd en uit
wankelmoed de vierberg in.

Doch hij liet – tot blijvend teken
van zijn bluf en blinde waan –
op de kimme van de krater,
beide zijn sandalen staan.

En dit toont dat Zeus, die alles
wikt en weegt en wel bedenkt,
geren aan de grootse geesten
ook een greintje gekheid schenkt.

Omer Karel de Laey (1876-1909)