Gedicht: E.J. Potgieter – Het Papegaaien-deuntje

“In het Papegaayen-deuntjen is de papegaai het hatelijk symbool is van alle slaperige conformisten in zijn eigen tijd.”

Het Papegaaien-deuntje

Wat leide ik toch een leven,
Het prinsjen van de buurt!
Mijn stok is bruin gewreven,
Mijn kooi is glad geschuurd,
En ik kan klontjens krijgen
Voor ’t praten en voor ’t zwijgen.
Ai! Lorretjen;
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Houd mij je bekjen toe!

En zou ik mij dan storen
Aan ’t smalen van dien knaap,
Die steeds wat nieuws wil hooren,
Die me uitscheldt voor een aap,
En mij zoo graag zou dwingen,
Een eigen lied te zingen?
Neen, Lorretjen
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Is daar te snugger toe!

Ik ken wel mijns gelijken,
Die wand’len over straat,
Die met een degen prijken,
Die zitten in den raad,
Zij kregen ’t beste hapjen,
Door krek te doen als Papjen.
En Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, Kapoe, kapoe,
Waar past die al niet toe?

E.J. Potgieter (1808-1875)
uit: Liedekens van Bontekoe (1840)