De burgemeester heeft ons iets misdaan

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (146)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Burgemeester

De burgemeester heeft ons iets misdaan,
Wij leerden, door zijn schuld, het leven haten.
Wij zullen allemaal zijn stad verlaten,
Die dood zal liggen in het licht der maan.

En hij alleen, hij kan hier niet vandaan,
Hij heeft geen wezen meer om mee te praten,
En moet, in zijn huis aan de groote laan,
Voor immer uitzien op zijn leege straten.

Het gras zal groeien in de magazijnen,
De waar bederven bij de winkelieren,
En huis na huis, en steen na steen verdwijnen…

Alles zal dood zijn als in Babylon,
Geen lied van vogels en geen kreet van dieren,
Niets dan de kou, de wind en soms wat zon.

(Jan van Nijlen, uit: Gedichten)

We zijn nu zo’n beetje in de jaren twintig van de twintigste eeuw beland met onze geschiedenis van het Nederlands aan de hand van sonnetten. Een periode dat de dichters hun idioom veranderen en in meer alledaagse taal gaan schrijven – zelfs in veertienregelige gedichten. Nu schreven dichters als Jan van Nijlen (1884-1965) niet meer in een speciaal poëtisch idioom, maar in een taal die heel dicht bij het proza lag, en misschien zelfs bij de spreektaal.

Laagste trede

Het gedicht De burgemeester van Van Nijlen laat de kracht van die beweging zien. Menno ter Braak noemde het ‘een der prachtigste gedichten in de Nederlandsche literatuur überhaupt’, en mij persoonlijk lijkt het ook een beter idee als kinderen dit gedicht uit hun hoofd leren dan wanneer ze dat doen met het Wilhelmus. (En dat voetballers het luid scanderen voor een wedstrijd, en de volksmassa’s op het plein, bij wijze van aubade. Het hoeft niet op muziek te worden gezet. Hardop roepen is genoeg.)

Het lijkt me duidelijk onderdeel van een bredere tendens, die tot in onze tijd voortduurt: die van een streven naar een uniforme taal voor alle omstandigheden. De dichters schaften het verschil tussen dichterlijke en prozaïsche taal af, zoals wij op internet het verschil tussen spreek- en schrijftaal aan het afschaffen zijn en veel stijlboeken nog altijd oproepen om al je taal altijd zo helder en begrijpelijk en (dus, lijkt mij) uniform mogelijk te maken. Waar dat streven naar eenheid vandaan komt, is niet duidelijk, en ook niet waarom dat in de praktijk leidt tot uniformering in de richting die in eerdere hiërarchieën op de laagste trede werd geplaatst (alledaagse taal).

Klein kind

Het sonnet ‘burgemeester’ heeft op het eerste gezicht ook een nogal opstandige toon, tegen die vreselijke autoriteit die het bestaan heeft ons te leren ‘het leven te haten’, en die daarom gestraft gaat worden met de totale eenzaamheid. Maar in het allerlaatste woord opent zich ineens de poëzie: zon. Dat woord staat tegenover de maan uit de eerste strofe, en waar de maan daar expliciet met de dood wordt verbonden, is het logisch om bij de zon te denken aan het leven. Maar hoezo is dat dan een straf voor de burgemeester? Misschien omdat hij zelf zo doods is, dat ook dat beetje zon geen soelaas meer biedt.

De elite zal afsterven zonder voeding met het volk, verwachten de ‘wij’ van dit gedicht. Vandaar dat wij ons uitdrukken in een niet-elitaire taal. Maar daar piept het poëtische, het niet-alledaagse dan toch ineens doorheen, in de vorm van een eenlettergrepig woord dat ieder klein kind kent. Zon. Ik ben kind genoeg van mijn tijd om zoiets mooi te vinden.