150 jaar Snikken en Grimlachjes

Door Peter van Zonneveld

Het huis waar HaverSchmidt van 1877 tot zijn dood in 1894 heeft gewoond. Mij werd verteld dat hij zich in de kamer op de eerste verdieping links (boven de deur) van het leven heeft beroofd, maar zeker is dat niet.

Gisteren mocht ik een lezing houden in het huis van François HaverSchmidt. Voordat het zover was, bleek er in Schiedam al heel wat te beleven. In de Bibliotheek droeg Levi Weemoedt op zijn onnavolgbare wijze uit zijn gedichten voor – de invloed van HaverSchmidt is merkbaar, maar hij heeft er geheel eigen varianten voor gevonden. Een dag tevoren had ik een groep scholieren nog lastig gevallen met zijn vers:

Van zwart haar moet ‘k zo huilen
Van blond krijg ik ’t benauwd
Ach! Vind je ’t erg als jij vannacht
Je bromfietshelm ophoudt?

Leuk om naar hem te luisteren en na lange tijd weer met hem te spreken (hij heeft Nederlands gestudeerd in Leiden). Vervolgens gingen we naar buiten voor de onthulling van een zeer toepasselijk muurgedicht, door HaverSchmidt in Schiedam geschreven. Onder de bekwame leiding van Herman Noordegraaf, auteur van het boekje ‘HaverSchmidt en Schiedam’ (1994) werd een literaire wandeling ondernomen die ons langs vele plekken voerde die met de dominee-dichter verbonden waren, zoals de Grote Kerk, het huis waar hij van 1864 tot 1877 woonde, de uitgeverij van Roelants waar zijn bundel uitkwam en het Paulusgebouw, toevluchtsoord van de vrijzinnige gemeente toen de orthodoxe predikanten HaverSchmidt het leven zuur maakten, om er maar een paar te noemen.

Tegen vier uur begaf een klein gezelschap zich naar de woning waar HaverSchmidt van 1877 tot zijn zelfgekozen dood in 1894 gehuisvest was. Bij de herdenking van HaverSchmidts honderdste sterfdag in Leiden (1994) had dominee Albert van der Klaauw, die toen dat pand bewoonde, mij uitgenodigd om het huis eens te bezoeken. Dat is er toen niet van gekomen. Nu ging het dus gebeuren, maar zonder Van der Klaauw, want die was op de dag af zes jaar tevoren overleden. Ik werd ontvangen door zijn weduwe, Machteld van der Feltz. Ze had haar huis nu gastvrij voor de lezing ter beschikking gesteld. In de hal hingen enige portretten van HaverSchmidt, en een gedichtje van Drs. P. over Piet Paaltjens, in eigen handschrift. Dat was helaas verbleekt, maar de tekst kunt u hieronder lezen.

Het gedicht van Drs. P.

 

Mijn lezing had natuurlijk een ander karakter dan die voor de scholieren. Ik wilde nu vooral de Leidse achtergronden belichten en nieuwe elementen toevoegen. HaverSchmidt was in Leiden redacteur van de almanak geweest, Questor (penningmeester) van het Collegium (bestuur van het Corps) en ten slotte ook Praeses. Van de bestuursvergaderingen zijn notulen bewaard gebleven, waarin heel wat nieuws te vinden is. Toen ik mij boekje over HaverSchmidt en Leiden samenstelde, heb ik daar dankbaar gebruik van gemaakt.

Eén voorbeeld: tijdens de vergadering van maandag 15 december 1856 dient zich een eerstejaars student in de godgeleerdheid aan die zijn beklag doet over vier studiegenoten ‘welke hem eerst hebben dronken gemaakt en toen met geweld gesleept naar een publiek huis, waar hij gedwongen werd eenige publieke vrouwen te zoenen.’ Dat was op zaterdag 13 december. Toen hij een dag later bij professor Cobet op bezoek was, raadde deze hem aan de zaak aan het Collegium voor te leggen. De vier worden nu gedaagd om op woendag 17 december voor het bestuur te verschijnen. Ook het slachtoffer wordt voor die vergadering uitgenodigd. Hem wordt te verstaan gegeven dat hij zich over zulk zaken niet bij hoogleraren moet beklagen, maar rechtstreeks naar het Collegium moet gaan. De boosdoeners wordt na een verhoor ‘het lage hunner handelwijze’ onder het oog gebracht. Bij herhaling zullen ‘onteerende strafbepalingen’ volgen. De academische vierschaar mag dan door Napoleon zijn afgeschaft, de studenten stellen nog altijd graag orde op zaken in eigen kring.

Muurgedicht

In 1886 schreef HaverSchmidt in het tijdschrift Eigen Haard een artikel over de muurschilderingen in het Leidse academiegebouw. Maar het is veel meer dan dat. Hij haalt ook aardige herinneringen aan zijn eigen studententijd op. Ook hier één voorbeeld. HaverSchmidt nodigt ons uit met hem mee naar binnen te gaan. Na een paar passen de gang in vind je links een stoepje, dat naar de gewelfkamer voert. Hier was eind zestiende eeuw de bibliotheek gevestigd. Daarna verzamelden zich er de filosofen. In de tijd van HaverSchmidt werden er vooral colleges voor theologen gegeven. Nu doet deze bijzondere ruimte dienst als garderobe, maar toen zag het vertrek er echter heel anders uit: ‘Terrasgewijze tot niet ver van de steenen zoldering opgetimmerde banken bieden er de gelegenheid om te zitten luisteren naar den hoogleraar, voor wien een vierkant hokje tusschen de vensters is aangebracht. Daar in dat hokje hebben wij professor Schrant den rijkdom van onze moedertaal hooren uitleggen, vooral op het punt van klanknabootsende woorden. De jeugdige auditores hielpen trouwens uit alle macht mee, en het loeien, miaauwen, hinniken en kraaien, dat daar vernomen werd, gaat alle beschrijving te boven.’

Ook in de kranten uit die tijd is heel wat aanvullend materiaal te vinden. In het digitale tijdperk krijg je die informatie heel snel boven water. Over de bundel zelf is veel geschreven, maar er zijn nog altijd omissies in het onderzoek. Tot dusver is er weinig aandacht geweest voor de unieke vorm van de gedichten, en de humoristische procedés die HaverSchmidt hanteerde.

Tenslotte nog dit. Rob Nieuwenhuys schrijft in zijn biografie De dominee en zijn worgengel wel heel sterk naar de zelfmoord van HaverSchmidt toe. Ik had daar zo mijn twijfels over. Een aantal jaren geleden kwam een predikant die met emeritaat was, Bernard Schelhaas, in Leiden Nederlands studeren. Die heeft op mijn instigatie onderzoek gedaan naar de inhoud van de preken. Zijn conclusies werden in 2013 gepubliceerd in het Nieuw Letterkundig Magazijn. Kort samengevat: Nieuwenhuys geeft een vertekend en eenzijdig beeld. De preken dienen vanuit het perspectief van een predikant geanalyseerd te worden. Ze zijn minder zwaarmoedig dan tot dusver is aangenomen.

Dit alles mondde uit in mijn pleidooi voor een nieuwe biografie, waarin recente vondsten en inzichten een plaats kunnen vinden. Op een vraag uit het publiek over de relatie tussen Francois HaverSchmidt en Piet Paaltjens had ik graag willen antwoorden met een sonnet dat ik in 2012 over dat onderwerp schreef. Ik had het niet bij de hand, maar hier is het, en daar wil ik deze bijdrage mee besluiten:

Snikken en grimlachjes

Twee dichters woonden in de Sleutelstad,
gehuisvest op de smalle Hogewoerd,
weemoedig, melancholisch, licht ontroerd.
Ze zongen éénstemmig het Io vivat.

De eerste schonk zijn weemoed aan de tweede,
zijn angst, zijn doodsdrift en zijn diepe haat.
Die liep toen met een grimlach over straat,
voorgoed verlost van vreugd en zielevrede.

Piet Paaltjens ging gebukt onder dit wee,
werd mager, bleek en stil van bitt’re smart
en schreide soms een brakke tranenzee.

Ter sociëteit verdween hij bij ’t biljart,
nam alle wee voor eeuwig met zich mee,
gaf HaverSchmidt een plekje in ons hart.