‘Taal baart men zorgen’

Door Roland de Bonth

In de laatste aflevering van de ‘Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?’ merkt Peter-Arno Coppen tot zijn spijt op dat er geen enkele anekdote is toegevoegd over de die week geboren en gestorven neerlandici. Had ik dan toch melding moeten maken van het T-shirt dat ik in het begin van de jaren negentig had laten bedrukken met een portretgravure van Balthazar Huydecoper (1695-1778) en dat ik droeg tijdens een lezing over zijn werk op een congres van de Studienkreis Geschichte der Sprachwissenschaft? Nee, toch? Wel heb ik op de Facebookpagina Leraar Nederlands gemeld dat  we op 23 september 2017 de 239e sterfdag herdenken van Huydecoper, een taalkundige die zich zijn leven lang heeft beijverd voor een correct gebruik van het Nederlands en daarom lange tijd te boek heeft gestaan als ‘een taaldespoot uit de pruikentijd’.

Dat Huydecoper zich sterk maakte voor zijn moedertaal was niet zo vreemd. Van overheidswege was er nog geen sprake van een officiële spelling – die verscheen pas in 1804 door toedoen van Matthijs Siegenbeek – en de Nederduitsche [‘Nederlandse’] Spraakkunst van Pieter Weiland, ‘’uitgegeven in naam en op last van het staatsbestuur der Bataafsche republiek’’, werd het daaropvolgende jaar gepubliceerd, in 1805. Achttiende-eeuwse taalkundigen waren dan ook voortdurend bezig met het standaardiseren van  de moedertaal, een proces waarmee begonnen was aan het eind van de zestiende eeuw.

Bij het nader reglementeren van het Nederlands beriep Huydecoper zich op een aantal criteria waarvan we er sommige ook in de tegenwoordige discussie rond taalnormen zien opduiken: de ratio (de taalsystematiek), de vetustas (het taalverleden), de auctoritas (het taalgebruik van gezaghebbende auteurs) en de consuetudo (het taalgebruik van ontwikkelde mensen). Zijn taalkundige opvattingen heeft Huydecoper het duidelijkst neergelegd in zijn Proeve van taal- en dichtkunde (1730); in het Huydecoperarchief kun je de zorgvuldig gealfabetiseerde  aantekeningenboeken raadplegen waarin hij ettelijke voorbeelden van correct en – in zijn ogen – incorrect taalgebruik heeft verzameld uit de periode van de middeleeuwen tot zijn eigen tijd. Op basis en met behulp van deze voorbeelden kon Huydecoper heldere uitspraken doen over destijds heikele taalkwesties.

Ook in de eenentwintigste eeuw bestaat er behoefte aan duidelijkheid, zeker bij leerlingen in het voortgezet onderwijs die zich soms bewust onbekwaam voelen over hun taalgebruik en dan bij hun leraar Nederlands als autoriteit aankloppen voor taaladvies. Het bijbrengen van een correct gebruik van het Nederlands is mijn taak en daarom voldoe ik graag aan dergelijke verzoek. Een docent moet de rol van vraagbaak voor zijn leerlingen vervullen, evenwel zonder frikkerig te worden.

Deze prescriptieve benaderingswijze staat uiteraard haaks op wat mij is bijgebracht tijdens de studie Nederlands: het zonder waardeoordeel beschrijven van taalgebruik. Met die descriptieve benaderingswijze komt een docent Nederlands niet weg bij zijn leerlingen maar ook niet bij een groot deel van de volwassenen. Niet voor niets kreeg de Algemene Nederlandse Spraakkunst bij verschijning de nodige kritiek te verduren van mensen die vonden dat de grammatica wel erg tolerant was en meer beschrijvend dan voorschrijvend was.

Docenten in het algemeen en docenten Nederlands in het bijzonder mogen zich gelukkig prijzen dat zij aan de wieg staan van taalveranderingen, die dan jaren later op lijstjes met taalfouten of taalergernissen verschijnen. Om een voorbeeld te geven uit mijn eigen lespraktijk. Lang geleden tekende ik uit een boekverslag van een leerling over Het hemelse gerecht van Renate Dorrestein de volgende vraag op:  ‘’Waarom wilt Gilles weg?’’ Dat de derde persoon enkelvoud van het werkwoord willen vervoegd werd als wilt vond ik indertijd zo opmerkelijk dat ik er een stukje over schreef voor Onze Taal. Het verscheen in de aflevering van juni 2003. Veertien jaar geleden was dit dus nieuwswaardig.  Tegenwoordig lees ik deze vorm niet alleen meer, ik hoor hem zelfs uitspreken. En niet alleen op school!

Een ander voorbeeld van recenter datum betreft een opvallend gebruik van men. De voorbeeldzinnen hieronder heb ik aangetroffen in schriftelijk werk van vier verschillende vwo-leerlingen op twee verschillende middelbare scholen, één in Leiden en één in Den Haag:

  • ”Lezen bleek men taalvaardiger te maken en de woordenschat van de lezers te verbeteren”; ”Ook werd er ontdekt dat lezen de concentratie verhoogt, goed is voor de algemene ontwikkeling en men kritischer maakt”; ”Lezen maakt men slimmer en kritischer, maar het verschaft ook veel macht.”  (6 vwo, 2014)
  • ‘’Het boek is in de toekomst en dit zou ik gebruiken om men een beeld te geven hoe alles zou kunnen worden’’ (5 vwo, 2015)
  • [Op de vraag ”Wanneer is een gedicht volgens Wilma van den Akker een klassieker te noemen?” volgt als antwoord:] ”Als de intensiteit en de klanken van het gedicht men bijblijft” (5 vwo, 2015)
  • ‘’Er zijn nog steeds weinig meisjes die een NT profiel kiezen en dit baart men zorgen’’ (3 vwo, 2016)

Het gebruik van men in deze constructie is opmerkelijk: dit voornaamwoord kan normaal gesproken namelijk alleen gebruikt worden als onderwerp van een zin (zie de Algemene Nederlandse Spraakkunst. Daarom viel mijn oog op de bovenstaande zinnen. Onderzoek doen naar en uitspraken doen over dit gebruik van het onbepaald voornaamwoord is echter niet eenvoudig, omdat het aantal vindplaatsen vooralsnog te beperkt is. Hoe ik op een slimme manier met behulp van zoekmachines op internet kan zoeken naar meer voorbeelden van dergelijk gebruik van men, weet ik niet. Suggesties zijn welkom. Vooralsnog zal ik nieuwe vindplaatsen trouw in de notities van mijn mobiele telefoon blijven opslaan.

Ik weet zeker dat er nog vele andere voorbeelden van bijzonder taalgebruik te vinden zijn in het geschreven werk en in de gesproken taal van leerlingen die het verdienen opgetekend te worden. Maak gebruik van dit unieke bronnenmateriaal waartoe je als docent Nederlands toegang hebt. Observeer, noteer en registreer: Meldpunt Taal.

Dit bericht is geplaatst in column, Neerlandistiek voor de klas met de tags , , , , , , , . Bookmark de permalink.

9 reacties op ‘Taal baart men zorgen’

  1. Peter Nieuwenhuijsen schreef:

    Het googlen van het woord ‘men’ is inderdaad een frustrerende aangelegenheid. Ook als je erin slaagt alleen Nederlandstalige websites te selecteren, krijg je als resultaat honderden voorbeelden van het Engelse woord ‘men’ te zien (‘Men at work’ etc.). Dat heb je nou van al dat Engelse gedoe!

  2. Peter-Arno Coppen schreef:

    Van Van Kooten en De Bie is het voorbeeld ‘de terugkeer van men zijn volledige haardos’ in een reclametekst voor een haargroeimiddel (meneer Scheurleer die op de lp Hengstenbal over zijn wederwaardigheden met oa de firma Eurotoupet vertelt).

    • De voorbeelden van Roland de Bonth komen allemaal kennelijk uit teksten waar leerlignen hun best doen formeel te schrijven, net zoals de tekst van dhr. Scheurleer. Mijn vermoeden is dat je het niet vindt in informele teksten. Als dat zo is, is het een teken dat ‘men’ niet echt tot het natuurlijke taalgebruik van de leerlingen hoort, ze hebben daardoor geen gevoel over wanneer je het wel of niet kunt gebruiken. De taalverandering is dan dus niet dat men in steeds meer functies gebruikt wordt, maar dat men verdwijnt.

      • Peter-Arno Coppen schreef:

        Hmmm, het zat toch al in het formele register? Blijkbaar hebben die leerlingen wel een taalgevoel over dat formele register. Ik weet niet hoe ik de term ‘onnatuurlijk’ in dit verband moet interpreteren, want ‘natuurlijk’ en ‘informeel’ passen natuurlijk beter bij elkaar dan ‘natuurlijk’ en ‘formeel.’ Het formele register is altijd wat ‘onnatuurlijker,’ zou ik zeggen.

        Je kunt natuurlijk wel stellen dat leerlingen een ander gevoel voor het formele register hebben (verkeerd?), maar in feite verschillen ze dan niet van de heer Scheurleer (uit 1981 meen ik), zoals je zelf al opmerkt.

        • DirkJan schreef:

          @Peter-Arno Coppen

          De lp-sketch over Eurotoupet (een professor in de haar …) komt niet van Hengstenbal (1977), maar van de Tweede Langspeelplaat van Het Simplisties Verbond.

          @Marc van Oostendorp

          Ik kan me zeker wel vinden in uw analyse en mijn reactie was gebaseerd op veertig jaar geleden en toen raakte ‘men’ al uit de gratie …

        • Wat ik bedoel: het zat (zit voor ons) in het formele register, maar daar is het voor die jongeren helemaal uitgevallen. Het is voor hen onnatuurlijk, op de manier waarop naamvallen in staande uitdrukkingen onnatuurlijk zijn.

          Natuurlijk heeft het formele register al snel iets onnatuurlijkers, in die zin dat het meer beperkt wordt door prescriptieve regels, maar toch kun je er intuïties over hebben. Ik denk dat ik ‘men’ alleen formeel gebruik, maar ik denk niet dat ik ooit formele instructie heb gehad over het feit dat ‘men’ alleen in de nominatief kan voorkomen. Dat heb ik opgepikt, de zinnen van die scholieren klinken ook echt niet als mijn Nederlands; in die zin is het natuurlijk.

      • DirkJan schreef:

        Ik las deze reactie pas na het maken van mijn opmerkingen, en je zou ‘men’ wat formeler kunnen noemen, maar ik herinner me juist dat scholieren vroeger ‘men’ welhaast als een stopwoord gebruikten in teksten om iets algemeens mee aan te duiden, ‘Men vindt, men denkt, men eist …’ Juist dat herhalen van het vage ‘men’ werd afgeraden en moest je vervangen door een concrete onderwerpsvorm als bijvoorbeeld ‘mensen’, enzovoorts.

  3. DirkJan schreef:

    Het is goed mogelijk dat ik me vergis, maar in mijn vage herinnering heb ik veertig jaar geleden dit soort fouten als tiener ook al gezien en misschien ook zelf gemaakt. Ik weet wel dat beginnende schrijvers als scholieren heel graag het woord ‘men’ gebruiken, ik deed dat ook (maar niet omdat het formeel was), maar tegelijkertijd was een van de eerste taaladviezen die ik kreeg, en ter harte nam, om zoveel mogelijk het algemene ‘men’ te vermijden en niet te gebruiken. Daarna kon ik die eventuele fouten ook niet meer maken. En ‘men’ kom je vanwege stijl ook niet vaak meer tegen in algemene teksten.

    [ En er is vaak kritiek op de taalfouten van jongeren, maar veel van die beginnersfouten gaan vanzelf over als je meer en langer ervaring opdoet. Ook een kwestie van ouder worden en ik denk dan ook dan het ‘foutief’ gebruik van ‘men’ in deze voorbeelden mogelijk specifiek door jongeren worden gemaakt, later uitsterven, en daardoor verder niet echt doordringen tot de algemene taal. De finetuning van mijn taalbeheersing kwam pas na mijn 25e op gang en gaat nog steeds door. Scholieren staan nog maar aan het begin. ]

Reacties zijn gesloten.