Kwam Woutertje Pieterse ooit in Haarlem aan?

Door Martijn Suurenbroek

Woutertje ruilt zijn bijbeltje voor Glorioso. Overgenomen van Het geheugen van Nederland.

Willem Frederik Hermans schijnt gezegd te hebben dat als men Multatuli misschien een ding kwalijk mag nemen het is dat hij Woutertje Pieterse niet heeft afgemaakt. Men zou kunnen aannemen dat Hermans gelijk heeft. Het verhaal eindigt op het moment dat Wouter in gezelschap van zijn vriend pater Jansen de trekschuit naar Haarlem betreedt, om daar een parasolletje te vergoeden dat hij kort daarvoor heeft kapotgemaakt. Multatuli rekt de tocht van de schuit eindeloos, zoals wel vaker voorkomt bij Wouters lotgevallen. Deze zijn immers niet geschreven als roman, niet als een ononderbroken vertelling dus, maar zij zijn verstrooid over de bundels Ideën, waar zij vaak aanleiding zijn tot soms zeer lange beschouwingen. Zo ook hier. Verhandelingen over het navolgen van voorbeelden in de literatuur, over hoe men in het buitenland tegen de Nederlandse letterkunde aankijkt, en, niet te vergeten, over prostitutie, rekken de vertelling naar een tempo dat misschien wel model staat bij dat van het transportmiddel waarvan sprake is.

”Of Wouter Haarlem bereikt?”, zo vraagt de auteur zich af in de kop van Idee 1270. Multatuli lijkt er aan te twijfelen, wat vreemd mag lijken, aangezien hij toch degene is die de gang van zaken bepaalt. Maar men kan zich ook afvragen of deze vraag niet een signaal is voor een bewuste keuze om het verder met Woutertje Pieterse maar voor gezien te houden. Om deze stelling te verklaren moeten we terug gaan naar de gebeurtenissen die leidden tot deze trekvaarttocht.

Het was nog maar een dag geleden dat Woutertje, jongste bediende bij de firma Ouwetyd & Kopperlith, de eer wordt gedaan een bezoek te brengen aan het ”Buiten” van zijn werkgever, de heer Kopperlith. Tijdens de hele reis naar het buitenverblijf en tijdens het bezoek aldaar wordt hij door de familie behandeld overeenkomstig zijn dienstige status, dat wil zeggen als iemand die op geen enkele wijze meetelt. Maar wel geeft hij, leergierig zoals we hem hebben leren kennen, zijn ogen en oren de kost. Tijdens het gebruiken van de thee ontspint zich een merkwaardige conversatie. Het gesprek gaat over handel, en er worden weetjes uitgewisseld zoals kennelijk gebruikelijk is tussen mensen die ”in kurken” zitten, of ”in lijnwaden”, kortom ”in de handel”. Zo wordt er ook gesproken over iets dat ”wissels” wordt genoemd.

”Parys staat hoog”, zegt iemand in verband daarmee, waarop de dochter des huizes, Julie, eruit flapt. ”Papa, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?”

Om kort te gaan, in het vervolg van het gesprek wordt het Wouter duidelijk dat het gezelschap waarmee hij dagelijks omgaat, en waar hij tot voor kort nog hoog tegenop keek, op geen enkele wijze in staat is een verschijnsel waar het beroepshalve mee te maken heeft te verklaren, een verschijnsel waarvan hij zich ook al afvroeg wat het inhield. Ter plekke komt de vraag bij hem of het respect waarmee hij deze mensen beschouwt wel verdiend is. En wanneer hem opgedragen wordt om op een kind met een hobbelpaard te letten neemt hij zich voor dit niet op zich te laten zitten. ”En hij gordde zich aan tot begrijpen”, zo schrijft Multatuli.

Tijdens het spelen met het kind doorgrondt hij met zijn ontluikende, kiene verstand, door te schuiven met speelsoldaatjes de principes van internationale handel, en wanneer hij weer wordt toegelaten tot de grote mensen brandt hij van verlangen zijn ontdekking aan het gezelschap te openbaren. Maar niet alleen durft hij als te voren nauwelijks zijn mond te openen, de volwassenen zijn in de weer met mededelingen als: ”Weet je wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft er gedanst met de dochter van den gouverneur.” In deze omgeving zal geen plaats blijken te zijn voor Wouters hoge intellectuele vlucht, integendeel, zijn val is hard en meedogenloos. Kort daarop duwt men hem een parasolletje in handen dat hij niet weet te openen en in zijn zenuwachtige onhandigheid aan flarden breekt…

” ’t Heeft zeven gulden dertien gekost”, jammert de eigenaresse van het geval, een zekere Hersilia. In paniek ontvlucht Wouter het buiten van de Kopperliths, bereid om subiet een einde aan zijn leven te maken. Maar op mysterieuze wijze weet hij binnen een dag het bedrag bij elkaar te krijgen, en zo vinden wij hem, op de trekschuit, in gezelschap van zijn vriend pater Jansen, op weg naar Haarlem, met het voornemen zijn schuld in te lossen.

”Of Wouter Haarlem bereikt?”, zo vraagt Multatuli zich meerdere malen luidop af bij de verhandelingen die op deze rampzalige gebeurtenissen volgen. Ik zou daarop willen antwoorden: ”het maakt niet uit”. Immers, vele andere avonturen lokken Wouter op zijn levensweg, zelfs al is het maar op de trekschuit naar Haarlem. Die zeven gulden dertien hadden bij nader inzien ook afgeleverd kunnen worden op het kantoor van Ouwetyd & Kopperlith aan de Keizersgracht, maar het belangrijkste is dat Wouter zichzelf gevonden heeft, dat hij begrepen heeft wat zijn werkelijke plaats in de wereld is, en niet meer hoeft te buigen voor lieden die ver beneden hem staan, zelfs al is hij maar jongste bediende en is hij ze zeven gulden dertien schuldig.

Daarmee kan ook de vraag gesteld worden of Hermans’ constatering dat Woutertje Pieterse niet af is, wel juist is.Woutertje Pieterse is het verhaal van een jongetje dat zich losmaakt van de spoken van zijn verleden die hij zelf heeft toegelaten, en overwonnen, en van zijn beginnende strijd met een omgeving wier onbegrip hij zal moeten leren overwinnen. Ik denk dat hem dat in zijn verdere, fictieve leven gelukt zou zijn, ”hoe” dat hoeven we verder niet te weten. ”Woutertje Pieterse” is geen roman, geen boek met een kop en een staart, een verhaal dat formeel ”af” is, maar rafelig als het leven zelf. Het is een onderdeel van een stelsel van ideeën, de Ideën van Multatuli, de schrijver die boven Idee 1278 zet (en er zijn er dan nog maar vier te gaan) ”Dit hoofdstuk bevat niets dan de beknopte mededeling van ’t overlijden des auteurs.” Na deze bundel, die werd uitgegeven in 1877, publiceerde Multatuli niet veel meer, dus men kan zich afvragen of hier sprake is van het ”figuurlijke” overlijden van een schrijver die bijna alles wel gezegd heeft. Ook over Woutertje. Er is dan ook geen vraag die moet luiden of Wouter Haarlem heeft bereikt, maar er hoort een vaststelling te zijn dat de wereld aan zijn voeten ligt. En daarmee is Woutertje Pieterse, als boek, roman, of wat het ook moge zijn, misschien ook wel af.