Jaap de Rooij en de ANS

Door Walter Haeseryn

De geestelijke vader van de ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst, is niet meer. Dr. Jaap de Rooij is op 24 augustus 2017 overleden (zie het in memoriam door Jan Berns).
Het initiatief voor een uitvoerige grammaticale beschrijving van het hedendaagse Nederlands, die onder meer dienstig moest zijn voor het onderwijs aan anderstaligen, was afkomstig uit de kringen van de buitenlandse neerlandistiek. Als sinds de jaren zestig van de vorige eeuw werd de behoefte aan een dergelijke grammatica met enige regelmaat geëxpliciteerd in resoluties op de driejaarlijkse colloquia van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN).

De mogelijkheden om tot de gewenste grammatica te komen werden onderzocht in de schoot van het Belgisch-Nederlands Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, het toenmalige overlegorgaan van de hoogleraren Nederlandse taalkunde. Deze verkenning resulteerde in een opdracht voor voorbereidende werkzaamheden, gesubsidieerd door de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO) en het Belgisch Fonds voor Kollektief Fundamenteel Onderzoek (FKFO). Met die opdracht werd Jaap de Rooij belast. Die keuze was niet toevallig. Jaap was van 1962 tot 1970 lector Nederlands in Stockholm en Uppsala geweest en was sinds 1970 lid van het IVN-bestuur en wist uit eigen ervaring wat de behoeften en wensen van de docenten in het buitenland waren. Zelf had hij ook samen met zijn Zweedse collega, Ingrid Wikén Bonde, in 1971 een Nederländsk grammatik geschreven.

Jaap presenteerde in 1975 een rapport over doelstellingen, opzet, terminologie en werkwijze bij de totstandkoming van een omvattende grammatica die ANS zou gaan heten. Op basis van dat projectplan werden vervolgens subsidieaanvragen bij ZWO en FKFO ingediend. Aanvankelijk werden die aanvragen niet gehonoreerd omdat het project ‘niet wetenschappelijk genoeg’ gevonden werd – ook toen al; het ligt er maar aan hoe je ‘ wetenschappelijk’ definieert -, maar uiteindelijk is het toch gelukt. Eind 1976 – begin 1977 kon met het concrete werk begonnen worden.

Jaap de Rooij was niet alleen ten nauwste betrokken bij de voorbereidende fase, maar ook bij de uitvoering van het project. Hij maakte samen met Guido Geerts en Maarten van de Toorn deel uit van de hoofdredactie, die tot taak had de uitvoerende redactie, bestaande uit twee Belgische en twee Nederlandse leden, te begeleiden. In die tijd heb ik Jaap leren kennen als iemand die uitermate nauwkeurig ontwerpteksten las en becommentarieerde en commentaren en suggesties altijd heel zorgvuldig verwoordde.

De bemoeienis van Jaap met de uitvoerende werkzaamheden bleef niet beperkt tot het leveren van commentaar. Hij ging zelf ook deelnemen aan het dagelijkse redactionele werk. Dat kwam zo. Het project was begroot op vier jaar. Het werk had dus eind 1980 klaar moeten zijn. Er is uiteindelijk tot eind 1983 aan gewerkt. Dat had voor een deel te maken met personele wisselingen – twee redacteuren vertokken voortijdig en er moest gezocht worden naar vervanging, wat maar voor de helft lukte, en één redacteur moest een tijd lang in militaire dienst – en zoals zo vaak bij grote projecten bleek de uitvoering weerbarstiger dan gedacht was. Ook moest er extra subsidie gevonden worden. Die kon gelukkig verkregen worden van de Nederlandse Taalunie, die toen nog ‘i.o.’ was. Om ervoor te zorgen dat het project tot een goed einde gebracht kon worden, heeft Jaap de Rooij, die sinds 1970 werkzaam was op het Meertens Instituut, zich anderhalf jaar laten detacheren om deel uit te maken van de dagelijkse redactie. Hij kwam er iedere dag voor uit Amsterdam naar Nijmegen. In die tijd bewerkte hij conceptteksten die waren blijven liggen en leverde hij nieuwe onderdelen aan, steeds handgeschreven (doorgaans met vulpen) en zoals we van hem gewend waren zorgvuldig en trefzeker (zelden met doorhalingen) geformuleerd en altijd weer van treffende voorbeelden voorzien. Hij kon daarbij putten uit eigen publicaties, die we als een soort voorstudies zouden kunnen beschouwen. Denken we bijvoorbeeld maar aan zijn proefschrift uit 1965 over de voegwoorden als, of en dat of aan zijn studies over het dubbele genus uit 1978 en over de verbogen en onverbogen adjectieven uit 1980 (voor de referenties verwijs ik naar de bibliografie in de eerste en de tweede editie van de ANS).

Het pad van de ANS mag dan niet over rozen gegaan zijn, om Maarten van den Toorn te citeren, eind 1984 kon de ANS dan toch eindelijk feestelijk ten doop gehouden worden. (De woorden van Van den Toorn bleken achteraf overigens ook nog eens profetisch te zijn, maar daarover straks meer.) Gelet op de inbreng van Jaap in het geheel had het voor de hand gelegen om hem als eerste auteur op het titelblad te zetten, maar dat wilde hij niet. Bescheiden en zelfrelativerend als hij was, gunde hij die eer aan anderen.

In 1980, toen het project nog in volle gang was, heeft Jaap de doelstellingen, aanpak en voortgang voor een breder publiek uiteengezet in een artikel in Ons Erfdeel. Met een blik op de toekomst schrijft hij daarin onder meer het volgende: “Dit alles [i.e. het actueel houden van de beschrijving van het Nederlands en het werk dat daarvoor nodig is (WH)] kan niet het tijdelijk werk van een eenling zijn. Het zou gedaan moeten worden door een ‘instituut’, van hoe beperkte omvang ook (…), dat hier voortdurend aan kan werken. De taak van zo’n instituut zou ruimer moeten zijn dan het voorbereiden van nieuwe uitgaven van de ANS. Het zou een centrale voor ‘toegepast grammaticaal onderzoek’ moeten worden, die niet alleen bestaande onderzoeksresultaten verwerkt en ‘vertaalt’, en zelf onderzoek verricht, maar ook speciaal op de ANS gericht onderzoek van anderen stimuleert en coördineert.” En verder: “Het heeft de initiatiefnemers van de ANS van het begin af aan als ideaal voor ogen gezweefd de onderneming op deze manier een permanent karakter te geven. Helaas kost zoiets geld en leven we nu in een tijd van bezuinigingen. Hopelijk zal er echter toch een weg gevonden worden – misschien in het kader van de ophanden zijnde Belgisch-Nederlandse ‘Taalunie’ – om dit ideaal te verwezenlijken.”

Na de euforie van het verschijnen van de ANS en alle lof – Jaap kreeg ook de eer om op de dag van de presentatie op te treden in een televisieprogramma van de KRO – kwam onvermijdelijk de kritiek. Hoewel de redactie zich zeker bewust was van tekortkomingen en gebreken van de eerste editie en ook Jaap open stond voor kritiek, kwam de soms scherpe en niet altijd helemaal terechte kritiek van vakgenoten bij hem hard aan. Het stelde hem aanvankelijk teleur, maar toch ging hij onverdroten door met het nodige relativeringsvermogen en in het besef dat teleurstellingen nu eenmaal bij het leven horen, zoals hij af en toe opmerkte. Het gaf hem voldoening om te zien dat de ANS gaandeweg, zeker met de tweede editie, steeds meer waardering kreeg en uitgroeide tot een vaste waarde waar nog steeds velen dankbaar gebruik van maken.

Ook bij de totstandkoming van de tweede herziene editie is Jaap als lid van de vijfkoppige redactie – er was nu geen onderscheid meer tussen hoofdredactie en dagelijkse redactie – nauw betrokken geweest. Aan die tweede editie, die voor een belangrijk deel door de Taalunie gefinancierd werd, is gewerkt tussen 1991 en 1997. Ook nu weer vonden resultaten van zijn eigen onderzoek hun weg naar de ANS: ik noem hier bij wijze van voorbeelden zijn studies over de uitdrukking van de toekomende tijd (1985/1986), het gebruik van hebben en zijn in de voltooide tijd (1988), het gebruik van er (1990/1991) en de vormen van het vrouwelijke persoonlijke voornaamwoord van de derde persoon (1994). Zie voor de referenties weer de ANS. Onvermoeibaar en nauwgezet als hij was, heeft hij ook meegewerkt aan het collationeren van het register van de tweede editie.
Voor zijn verdiensten voor de internationale neerlandistiek en voor de ANS kreeg Jaap de Rooij op de Belgische ambassade in Den Haag een koninklijke onderscheiding.

Na het verschijnen van de tweede editie kwam er een project voor de elektronisering van de ANS, met als resultaat de inhoudelijk ongewijzigde online versie die sinds 2002 beschikbaar is. Jaap vond het best, maar voor hem was dat geen prioriteit. Hij bleef hopen op de realisering van zijn al eerder genoemde ideaal. Dat de ANS inmiddels in een stichting ondergebracht was, voedde de hoop dat het ideaal eens werkelijkheid zou worden.

Tot verbijstering van de direct betrokkenen besloot de Taalunie, die het project al vele jaren financieel gesteund had, de subsidie na 2002 ‘tijdelijk’ stop te zetten, ook al waren de krijtlijnen voor een vervolg al uitgezet. Ook de ondersteuning door de Radboud Universiteit, waar het project al sinds het prille begin onderdak gevonden had, kwam daarmee te vervallen. In de jaren daarna is er wel nog een plan voor een vervolg uitgewerkt, maar het bleek niet mogelijk daarvoor de benodigde financiële middelen te verwerven. Het pad van de ANS

Groot was ook de verbijstering en het ongeloof toen enkele jaren later de uitgever besloot de ANS uit de handel te nemen en de omvangrijke restoplage te vernietigen, liever dan die voor een zacht prijsje bijvoorbeeld aan de buitenlandse neerlandistiek ter beschikking te stellen.

Jaap heeft zich na enige tijd uit het stichtingsbestuur teruggetrokken omdat hij vond dat hij als oud-redacteur en ‘taalkundige in ruste’, zoals hij niet naliet te beklemtonen, geen rol van betekenis kon spelen om een nieuw project van de grond te krijgen. Hij informeerde wel nog geregeld naar het wel en wee van de ANS als ik hem in Nijmegen, waar hij sinds zijn pensionering woonde, tegenkwam, maar dat werd steeds minder. Of hij de hoop helemaal opgegeven had, weet ik niet zeker (en ik geloof het ook niet), misschien was het berusting in het besef dat de ANS er was en dat hij iets waardevols nagelaten had.
Gelukkig heeft Jaap nog mogen meemaken dat het ANS-project enkele jaren geleden toch weer op gang gekomen is, en wel met de substantiële steun van … de Nederlandse Taalunie. Sinds eind 2015 wordt er gewerkt aan een inhoudelijke en ergonomische vernieuwing van de elektronische ANS. Laten we hopen dat dat de opmaat is voor de realisering van Jaaps ideaal van een permanente voorziening voor de Nederlandse grammatica, in een al dan niet virtueel instituut. We zijn het allemaal aan hem verplicht.