‘Geen enkele soldaat heeft een geweer. Hij is ongevaarlijk.’

Door Marc van Oostendorp

De Utrechtse taalkundige Eric Reuland is het levende bewijs dat het loont om tientallen jaren aan een op het gezicht kleine kwestie te besteden, omdat je dan eindeloos diep kunt boren en wijdse perspectieven vindt.

In zijn geval gaat het dan om het verschil tussen woorden als hemzich en zichzelf:

  • Jan ziet hem. 
  • Jan ziet zich [uitgesloten]
  • Jan ziet zichzelf.
  • Jan schaamt hem. [uitgesloten]
  • Jan schaamt zich.
  • Jan schaamt zichzelf. [uitgesloten]

In Jan ziet hem verwijst hem per se naar iemand anders dan naar Jan. In plaats daarvan moet je dan dus kennelijk zichzelf gebruiken. Zich gebruik je dan weer bij voorkeur bij werkwoorden waar het helemaal niet duidelijk is dat je iemand anders (of zelfs jezelf) schaamt.

Enorme diepte

Het is overigens niet altijd het geval dat hem niet naar een eerder genoemd onderwerp kan verwijzen; je kunt bijvoorbeeld best zeggen Jan vindt het jammer dat je hem niet aardig vindt’, en dan kan hem zowel op Jan als op iemand anders slaan. Sterker nog, in zo’n geval kun je zich weer neit gebruiken: ‘Jan vindt het jammer dat je zich niet aardig vindt’ is beslist geen goede Nederlandse zin. Je krijgt nooit les op school over dat soort dingen, maar toch voelt iedere moedertaalspreker dat aan.

Hoe zit dat in elkaar? Maar vooral ook: waarom hebben talen over de hele wereld dat soort onderscheidingen? Dat is het onderwerp dat Reuland nu dus al minstens een jaar of dertig bezighoudt. In een mooi overzichtsartikel in Studia Linguistica vat hij de belangrijkste inzichten samen in een artikel van een enorme diepte (wat overigens niet betekent dat je het zomaar kunt lezen zonder doorkneed te zijn in moderne syntactische theorieën).

Leegte

Het artikel zit echter vol met subtiele observaties, die het gevolg zijn van heel lang en diep nadenken over deze kwestie, die ons uiteindelijk waarschijnlijk veel kan leren over hoe wij mensen denken. Hier is er één. Er is een duidelijk verschil in aanvaardbaarheid van de volgende twee korte toespraakjes:

  • De soldaat heeft een geweer. Hij is ongevaarlijk.
  • Geen enkele soldaat heeft een geweer. Hij is ongevaarlijk. [uitgesloten]

In de tweede zin kan hij niet naar ‘geen enkele soldaat’ verwijzen. Waarom niet? Je zou zeggen: er is geen soldaat, dus dan kun je er ook niet met hij naar verwijzen. Hij is als een vinger die je ook niet op de leegte kunt richten.

Terugverwijzen

Maar binnen een zin gelden soms andere wetten:

  • Geen enkele soldaat met een geweer zal toegeven dat hij ongevaarlijk is.

(Gek genoeg In dit geval kun je automatisch hij op geen enkele soldaat laten slaan, en trouwens ook op geweer. Maar dan moeten geen enkele soldaat en hij wel op bepaalde plaatsen in de zin staan:

  • Het meisje dat geen enkele soldaat had gezien dacht dat hij ongevaarlijk was.

Deze laatste kan je wel zeggen, maar dan gaat hij over iemand anders dan geen enkele soldaat. Dat zit allemaal heel ingewikkeld in elkaar: om te begrijpen wanneer je nu wel of niet hij moet gebruiken moet je de zin heel nauwkeurig ontleden. Het is niet overdreven om te zeggen dat je hem nauwkeuriger moet ontleden dan iemand tot nu toe is gelukt. De vraag hoe woorden als hij, hem, zich en zichzelf precies terugverwijzen is nog steeds niet beantwoord.

Groot raadsel

Wat heb je dan aan zulk onderzoek? Het punt is natuurlijk dat wij allen dit soort subtiliteiten ooit moeiteloos hebben leren hanteren in de praktijk. Dat moet eigenlijk wel iets zeggen over hoe onze geest in elkaar zit. Er zit kennelijk iets in de mens dat ervoor zorgt dat we heel nauwkeurig en heel ingewikkeld met verwijzingen omgaan. Vragen wat je daar aan hebt is vragen wat je er eigenlijk aan hebt om de mens beter te begrijpen.

Mij lijkt het feit dat we nauwelijks begrijpen hoe wij denken een van de grote problemen van de mensheid. Ik ben blij dat er mensen zijn die proberen dit soort puzzels op te lossen. In dit soort details ligt ergens de oplossing van een groot raadsel.