Gedicht: Soera Rana – Persische legende

Persische legende

Aftoonende op de donker blauwe lucht,
Een slanke palm, wien niet de flauwste zucht
De bladerkroon beroert; in de uchtendgloed
Der zonne een witte muur; aan zijnen voet,
Een doode hond.
Dan uit, dan in de poort,
Ging steeds de stroom der menschen heen en weer;
En dwaalde op ’t vormloos lijk een blik soms neer,
Zoo volgde ras een bits en hoonend woord.
„Dat mag goe-buurschap heeten!” morde de een:
„De lucht verpesten met zulk aas !” — en snelde heen.
„Vervloekte keffer! zijt ge dood in ’t end ?”
Grijnst de ander, die zich walgend zijwaarts wendt.
Een derde wijst een rib, door ’t vel geschoten,
Of smaalt op de uitgerekte dorre pooten.
En zie, terwijl men schimpt en spot en lacht,
Daar nadert Jesus aan,
De zoon des timmermans; ook hij blijft staan:
„Als peerlen zijn die tandjes!” spreekt hij zacht.

Soera Rana (1845-1920)