Gedicht: Edmond van Offel – Lofzang

Lofzang

Ik heb mijn groot schoon Lief zo lief
Met al mijn jonge krachten,
Met heel mijn wil, met heel de pracht
van ’t schoonst mijner gedachten.

Ik heb mijn Lief zo innig lief
Met heel mijn ernstig leven;
Zij woont gekroond van al mijn hoop
In ’t duurbaarst van mijn streven.

Mijn teerheid is ze spelend kind,
En moeder voor mijn lijden;
Mijn peinzen is ze een zuster zoet,
En vrouw voor mijn verblijden.

Alwaar ze gaat, ze draagt mijn hart
In hare klare kleren;
Alwaar zij aâmt, ze leeft in ’t licht
Van Eindloos mijn begeren.

En ’t bouwen, dat mijn handen doen,
Wil als mijn liefde wezen,
Een praalpaleis van puurte en macht
Om mijn schoon Lief gerezen.

Ik heb mijn groot schoon Lief zo lief
Met vroom mijn zieleleven;
Het diepste, ’t schoonste van in mij
‘k Heb alles haar gegeven.

Edmond van Offel (1871-1959)