Etymologie: wegge, wig

Door Michiel de Vaan

wegge zn. ‘brood’

Middelnederlands wegge ‘wigvormig tarwebrood’ (1477), boterwegghe ‘met boter gebakken tarwebrood’ (1450-1470), weggenbacker ‘bakker van wigvormig brood’ (1369). Nieuwnl. wegge ‘wigvormig tarwebrood’ (1532-1536), wegh (1613), wek  (1709); vandaar wegge voor ‘koek’ (1576) en ‘los brood(je)’ (1836) in het algemeen en in samenstellingen als kerstwegge en krentenwegge.

wig zn. ‘keil’

Mnl. wegge ‘wig’ (1390-1410), opwigghen ‘met een wig openbreken (1491-1500), Nnl. wegghe ‘wig, spie, spits voorwerp’ (1521), wigghe (1567), wickge (1658), wig (1842). Bij Kiliaan (1599) gelden wegghe en wigghe als gelijkwaardige varianten, maar de e-vormen worden in de schrijftaal na 1600 opgegeven ten gunste van wig.

In moderne dialecten: West- en Oost-Vlaanderen wegge ‘wig’, Noord-Holland weg ‘wig’ (naast wig), in Drente en Overijssel wigge ‘wig’ maar wegge(n) ‘tarwebrood, wittebrood’, dat laatste ook in Groningen. Verder in Noord-Limburg weg, in Midden- en Zuid-Limburg wek ‘(witte)brood’. Afgeleid van ‘brood’ of ‘koek’ is Zeeuws-Vlaanms wekke, Noord-Brabants weg ‘stukje boter, klomp boter’.

Verwante vormen: Oudfries wegge, wigge (Snitser Recesboeken), Nieuwfries wich, wigge ‘wittebrood’, Oudsaksisch weggi en wecg m. ‘wig’, Middelnederduits wegge, sporadisch ook wigge ‘brood’; Oudhoogduits weggi ‘wig’, Middelhd. wecke, wegge ‘wig; brood’, Mohd. Weck(en) ‘brood’; Oudengels wecg, MoE wedge ‘wig’, Oudnoors veggr ‘wig’, alle uit Proto-Germaans *wagja- m. Voor mogelijke verwanten van dit woord, zie Kroonen 2013: 565.

De voortzetting van *wa- met umlaut door Nnl. wi- is niet regelmatig, zodat sommige woordenboeken voor wigge een aparte Germaanse ablautvariant *wegja- reconstrueren. Maar mijns inziens lijdt het geen twijfel dat wigge een intern-Nederlands-Nederduitse nevenvorm van wegge is. Dat blijkt al uit het feit dat wegge ook de oudste vorm is van de betekenis ‘wig’, en de e-vormen bij ‘wig’ ook in moderne dialecten van Vlaanderen en Holland aangetroffen worden. Bovendien wijzen alle andere Germaanse talen, oud en modern, enkel op *wagja-. Er moeten dus dialecten zijn geweest waarin wegge tot wigge werd, waarna in de standaardtaal betekenisspecialisatie plaats heeft gevonden: wegge voor ‘brood’, wigge voor elk ander ‘wigvormig voorwerp’. In welke dialecten en onder welke voorwaarden wi- ontstond (vanwege w-? vergelijk 13e- en 14e eeuws wilk voor welk vooral in Holland en Zeeland) zou nader onderzoek moeten uitwijzen.

Literatuur:
Jobse-van Putten, Josien. 1980. “’n Brood is ginnen stoeten.” Taalgeografisch onderzoek naar broodnamen in Nederland, p. 55-57, 87-92 en 143 (dialectkaart).

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.