Literatuurwetenschap: onterecht in het verdoemhoekje

Door Ine Kiekens

Deze ochtend verslikte ik me bijna in mijn kop thee toen ik het opiniestuk van Sebastien Valkenberg met als titel ‘Onleesbaarheid troef in literatuurwetenschap’ las. Ik was op het stuk attent gemaakt via een tweet van Marc van Oostendorp die vroeg wie een antwoord op Valkenbergs bijdrage wilde leveren. En dat wil ik. Niet alleen omdat ik het volslagen oneens ben met de mening van Valkenberg, maar ook omdat de literatuurwetenschap een prachtige discipline is die het verdient om vanuit het juiste perspectief benaderd te worden. Maar daar kom ik aan het einde van mijn stuk nog op terug.

Twee zaken hebben me in het stuk van Valkenburg getroffen: dat hij de publicaties binnen de literatuurwetenschap onleesbaar noemt en dat literatuurwetenschap in zijn ogen niet meer dan een invuloefening is. Op beide uitspraken wil ik even ingaan.In zijn tekst verwijst Valkenberg naar enkele recente publicaties die door literatuurwetenschappers van de UvA werden gepubliceerd. Valkenberg verzucht dat de titels hem niet echt aansporen om de publicaties te gaan lezen. En hoewel hij die aansporing zelden bij wetenschappelijke artikelen gewaarwordt, vindt hij dat er toch een verschil is tussen niet-literatuurwetenschappers en literatuurwetenschappers. Die laatsten zouden in zijn ogen toegankelijker moeten schrijven, omdat ze zich ‘uitdrukken in het medium dat ze bestuderen’. Een dergelijke visie verbaast me. Blijkbaar zouden dus alle literatuurwetenschappers ook met een bijzondere pen begenadigd zijn en het ene literaire pareltje na het andere uit hun hoge hoed moeten kunnen toveren. Het klopt dat een deel van de literatuurwetenschappers literaire aspiraties heeft en met enig talent tot schrijven gezegend is, maar dat is lang niet voor iedereen het geval. Bovendien maakt het voor het academische discours relatief weinig uit of literatuurwetenschappers zich van de bellettrie kunnen bedienen of niet. De naam zegt het al: het gaat om een academisch discours en daar zijn andere regels van toepassing dan binnen de literatuur.

Valkenbergs tweede uitspraak betreft de idee dat de literatuurwetenschap niet meer dan een invuloefening is: men gaat na welke figuren in een tekst aanwezig zijn, of die daar al dan niet thuishoren en veelal komt men tot de vaststelling dat de gevestigde orde aanwezig is en minderheden onderdrukt. Sta me toe deze opinie wel zeer kort door de bocht te noemen. Literatuurwetenschappers bekijken welke ideeën in teksten voorkomen, in welke vorm ze voorkomen, hoe ze in die teksten tot stand zijn gekomen, hoe ze zich verhouden met de context waarin die teksten zijn ontstaan, hoe ze ten opzichte van het verleden en de toekomst verschillen, hoe ze op gelijke of verschillende wijzen in andere media voorkomen,… Ik noem maar op wat er mij lukraak door het hoofd schiet en dat zijn meteen al iets meer opties dan het eenvoudige rekensommetje dat Valkenburg in zijn stuk voorstaat.

Tot slot moet er mij iets van het hart. De literatuurwetenschap wordt zo vaak onterecht in het verdoemhoekje gezet. Als ik iemand ontmoet en vertel dat ik met literatuur bezig ben, dan krijg ik al heel snel de reactie, ‘Ah, dus je leest boekjes?’.  Ik lees boekjes, ja. Al wil ik ze niet met die kleinerende term aanduiden. Ik lees teksten. En die teksten komen er niet vanzelf. Een persoon trekt om een bepaalde reden tijd uit om iets te gaan schrijven. Het doorgronden van die reden is vaak al een hele opdracht. Om nog maar te zwijgen over het doorgronden van wat de schrijver precies schrijft en wil duidelijk maken. Daarvoor moet je onderzoek doen naar zijn/haar beweegredenen, maar ook naar alle mogelijke factoren die een connectie met het ontstaan van die tekst kunnen vertonen, zoals de achtergrond van die persoon, zijn/haar context, het daadwerkelijke moment waarop hij/zij besluit om net die tekst in die vorm met die ideeën gaan schrijven. Het is bijlange niet zo dat de gevestigde orde en haar ideeën steevast worden bevestigd, zoals Valkenberg laat uitschijnen, maar met zijn idee over eenvoudig telwerk ontsnapt inderdaad veel door de mazen van het net. Waar het in de literatuurwetenschap echt over gaat, is het dieper durven graven, de aarde omspitten en omwoelen tot hopelijk een resultaat wordt bekomen. En geloof me, er is weinig meer fascinerend dan een dergelijke queeste.

Waar je als literatuurwetenschapper een geprivilegieerde inkijk in krijgt, is de denkwereld van anderen. Je krijgt soms direct, soms via enige omwegen inzichten in opvattingen, emoties en gewoontes. Ik ben ervan overtuigd dat we misschien wat verstandiger in de wereld zouden staan als we iets meer teksten zouden lezen en die naar waarde zouden proberen te begrijpen. Om met de woorden van Ray Bradbury af te sluiten: “You don’t have to burn books to destroy a culture. Just get people to stop reading them.”