Het diepste leven is een schuwe hinde

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (135)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Het diepste leven is een schuwe hinde
die vlucht voor geraas en luide gezichten;
wie haar heerlijkheid voor zich wil òplichten
doen, moet met de stilte zich vaak verbinden.

De eenzaamheid moet worden zijn beminde
en voor de lokkingen mag zij niet zwichten
der wereld, maar in ’t hooge hout der dichte
gepeinzen, zijn wel van lafenis vinden.

Laat dan, verzadigd van innerlijk schouwen
hij, vast in heel zijn ingetogen loopen
vernieuwd, tot de menschen glimlachend gaan

om wat hij won deemoedig hun t’ ontvouwen;
maar ’t pad der stilte blijf’ hem altijd open
en hij zwerve daar nimmer ver vandaan.

Ik weet niet of er veel over hindes wordt gesproken buiten sonnetten. Ik weet ook niet of iemand een Nederlands sonnet kan lezen dat begint met een hinde en waarbij hij niet even aan Jan der Noot denkt en diens bewerking van een sonnet van Petrarca:

Una candida cerva sopra l’erba

Een hiende reyn sach ick wit van colure
In een groen bosch lustich in een valleye
(Wandelen gaen int soetste vanden Meye)
Gheleghen fraey by een riuire pure,
Neffens een bosch seer doncker van verdure:
Des morghens vroech deur der sonnen beleye
Sach ick soo soet en fierkens het ghereye
Heurs schoons ghesichts, dat ic van dier ure
Heur volghen moet latende alle saken.
Niemant en roer my, sach ic staen gheschreuen
Om heuren hals met fyne Diamanten
Int gout gheset. Ick wil gaey slaen en waken,
Nam ick voor my, want yemant straf van leuen
Mocht dese leet aen doen in vremde canten.

Er zijn meer overeenkomsten, je krijgt het idee dat Roland Holst echt even Van der Noot heeft gelezen voor ze haar eigen sonnet formuleerde. Waar heeft ze anders dat eigenaardige gebruik van gezichten vandaan als niet van ‘Sach ick soo soet en fierkens het ghereye Heurs schoons ghesichts’? Een hinde heeft geen gezicht in de moderne betekenis van het woord, en gezichten zijn ook niet luid; het gaat in beide gevallen om zoiets als ‘buitenkant’.

Overigens weet Roland Holst in dit gedicht niet zo goed raad met haar hinde. Waar Van der Noot nog vrolijk achter zijn hinde aan begint te rennen, gedreven door de drang om haar te redden, wil Roland Holst zelf een soort hinde worden en dat is kennelijk niet makkelijk, met de ‘lokkingen der wereld’. En uiteindelijk moet ze zelf toch weer glimlachend ‘tot de menschen gaan’, en dat zie ik een hinde nog niet zo snel doen. Zoals ik een hinde ook niet zo ‘ingetogen’ zie ‘loopen’, zoals Roland Holst doet.

Maar ook dat is een overeenkomst met Van der Noot. In geen van de twee sonnetten wordt de dichter gelijk aan de hinde; het beestje blijft een ideaalbeeld, en in letterlijke zin ongrijpbaar.