Geliefde leermeester: Jan Kamerbeek Jr. (1905-1977)

Beminnelijk, bescheiden, erudiet

Door Peter van Zonneveld

Jan Kamerbeek Jr. 1974. Foto Peter van Zonneveld

Vandaag is het veertig jaar geleden dat mijn leermeester Jan Kamerbeek Jr. overleed. Ik hield van die man. ‘Hij stond altijd iets gebogen, de ogen met de zware brilleglazen lezensbereid; hij leek zelfs in de drukte van een groot gezelschap alleen maar even op te kijken uit zijn lectuur.’ Zo omschreef Kees Fens heel treffend deze oude geleerde.Een wat verlegen man, erudiet in zijn publicaties, inspirerend, stimulerend en behulpzaam voor zijn studenten, hartelijk en belangstellend voor zijn vrienden. Het is een voorrecht deze man als leermeester te hebben gehad.

Jan Kamerbeek Jr. werd in 1905 te Rotterdam geboren. Zijn ouders hielden van literatuur: zijn vader las voor uit van Deyssel, zijn moeder bewonderde Van Eeden. Hij bezocht de HBS omdat hij aanvankelijk veel belang stelde in techniek; zijn broer Coen, later een bekend classicus, kreeg op het gymnasium les van de dichter Leopold. Met de HBS kon je echter geen letteren studeren; daarom deed hij een aanvullend staatsexamen gymnasium alpha. Zo kon hij zich in 1923 in Utrecht laten inschrijven als student Nederlands. Met plezier kon hij vertellen over het candidaatsexamen bij professer De Vooys, die hij bewonderde om zijn ‘beminnelijkheid en wijsheid’. Dat examen nam toen een hele dag in beslag. Het vond plaats bij de hoogleraar thuis: ’s morgens taalkunde, dan een boterhammetje van mevrouw, en ’s middags letterkunde.

Hij volgde onder meer ook Gothisch bij de legendarische Van Hamel, geschiedenis bij de inspirerende Kernkamp en kunstgeschiedenis bij de zwierige Vogelsang. Uit die tijd dateert zijn grote bewondering voor Huizinga. Toen zijn broer klassieke talen kwam studeren, betrokken zij samen kamers in de Bakkerstraat, boven een naaiatelier. Wie hen bezocht, moest een opkamer passeren waarin zes meisjes hoeden vervaardigden, hetgeen het bezoek van ‘de harem van de gebroeders Kamerbeek’ deed spreken.

Als student ontmoette hij Lodewijk van Deyssel, Willem Kloos en Albert Verwey. Vijftig jaar later kon hij op college nog nadoen hoe Verwey in plat Amsterdams het gedicht van Jacques Perk voordroeg dat begint met de woorden ‘Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten.’ Ik kan het nog altijd reproduceren zoals hij dat deed. De Franse literatuur – waar hij dol op was – hield hij bij via de Nouvelle Revue Française. Zijn favoriete auteurs waren Bloem, Verlaine en Baudelaire. Later kwam daar ook Proust bij. Na zijn doctoraal in 1929 ging Jan Kamerbeek een jaar in het buitenland studeren. Allereerst in Keulen en Bonn, bij Oskar Walzel en Ernst Robert Curtius, en vervolgens in Parijs, bij Paul Hazard en Fernand Baldensperger – grote namen in de literatuurwetenschap van toen.

In de jaren dertig was hij leraar Nederlands en geschiedenis in Leiden, Bilthoven, Tiel en Ede, waar hij in 1940 trouwde met Willy Koelewijn, zijn collega voor Engels. Dankzij de Amsterdamse Philologische Kring van de vermaarde slavist Bruno Becker kwam hij in contact met Russische symbolisten als Akhmatova. In Frankrijk bezocht hij bijeenkomsten van intellectuelen te Pontigny, waar hij vele Franse literatoren uit die tijd ontmoette. Een van hen vroeg of hij niet iets van Vestdijk in het Frans wilde vertalen; dat deed hij niet, hetgeen hij later als een gemiste kans beschouwde. In de oorlog verhuisde hij van Ede maar een huis aan de Rijnkade te Arnhem, vlakbij de brug. Tijdens de oorlogshandelingen van 1944 ging het in vlammen op. Kamerbeek verloor niet alleen al zijn aantekeningen voor de dissertatie waar hij aan werkte, maar ook een schilderij van John Constable, waarvan hij de trotse bezitter was.
Dat was een traumatische ervaring.

Als leraar in Deventer speelde hij na de oorlog een belangrijke rol in het culturele leven van die stad. Hij nodigde vele sprekers uit, zoals Jan en Annie Romein, met wie hij vriendschappelijke betrekkingen onderhield. Dankzij de vele publicaties die intussen van zijn hand waren verschenen, werd hij in 1961 wetenschappelijk medewerker in de vergelijkende literatuurwetenschap, bij J.C. Brandt Corstius. Hij hield zich vooral bezig met Wilhelm Dilthey, Balzac, Sainte Beuve, Henry James, Allard Pierson, de Tachtigers, Huizinga en Bloem. Zijn favoriete bezigheid was het in kaart brengen van de geschiedenis van begrippen als ‘couleur locale’, ‘Renaisssance’ en ‘décadence’. Zijn in 1962 verschenen bundel opstellen ‘Creatieve wedijver’ werd bekroond met de Essayprijs van de stad Amsterdam.

In 1966 verdedigde hij met verve zijn dissertatie ‘Albert Verwey en het nieuwe classicisme’. Spoedig daarna volgde zijn benoeming tot hoogleraar algemene en vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam (terugblikkend op dat jaar zou hij later glimlachend van ‘een bliksemcarrière’ spreken). Hier kon hij zijn broer de classicus als collega begroeten. Het was de tijd van de democratiseringsbeweging, in de jaren zeventig gevolgd door een methodenstrijd, die door jongere medewerkers op zijn instituut op weinig subtiele wijze werd gevoerd. In mijn herinnering kwamen ze elke maand met een nieuwe theorie. Zij waren de kampioenen van de teksttheorie. Ik geloof niet dat ze veel ophadden met literatuur. Eruditie was voor hen een vies woord.

In het Dagelijks Bestuur van zijn vakgroep verdedigde ik hem te vuur en te zwaard, maar als student kon ik weinig uitrichten. Daar moet de oudere Kamerbeek wel onder geleden hebben. Gelukkig stonden daar veel hartelijke contacten met collega’s van verwante disciplines tegenover. Vooral met de estheticus Jan Aler kon hij het heel goed vinden, net als met de classicus en uitgever Johan Polak.

Tijdens zijn colleges behandelde hij zijn favoriete onderwerpen op basis van een grote verzameling citaten, afkomstig uit het werk van de meest uiteenlopende schrijvers. In die kleine kring was Kamerbeek in zijn element. De literatuur stond daarbij steeds centraal, maar de geschiedenis, de kunstgeschiedens en de filosofie kwamen ook ter sprake. Wat die colleges boeiend maakte, waren niet zozeer de behandelde citaten, maar wat hij er omheen vertelde. Als student maakte je kennis met auteurs waar je nog nooit van gehoord had, zoals Philarète Chasles, of Philothée O’Neddy.

Ik heb die colleges drie jaar mogen volgen; ze hebben mijn referentiekader enorm uitgebreid. Voor wie eenmaal een scriptie-onderwerp had, was Kamerbeek buitengewoon behulpzaam. Je kon hem ’s avonds tot half elf bellen om zijn advies te vragen, en op het instituut stopte hij je steevast kleine briefjes toe met titels die je beslist moest raadplegen. Op een bepaald moment stelde hij voor, elkaar te tutoyeren. Dan hoefde ik niet meer ‘professor’ te zeggen, maar gewoon’ Kamerbeek’. Nog later werd het ‘Jan’. Toen we elkaar beter kenden, gingen die briefjes ook over dames die hij bewonderde. Dan schreef hij nooit: ‘wat een geil wijf’, maar veeleer ‘wat kleedt die vrouw zich leuk, vind je ook niet?’.

Uitstapje naar de Alma Tadema-tentoonstelling in Leeuwarden. Jan Kamerbeek Jr., Boudewijn Büch, Astrid Jensen en Peter van Zonneveld. Foto: Peter van Zonneveld, met de zelfontspanner.

Jan Kamerbeek was een ruimhartig mens. Hij liet velen onbekommerd in zijn eruditie delen. In zijn grijze, wat slobberige kostuum mocht hij dan de indruk maken een verstrooide professor te zijn, hij kon met de langharige studenten van toen goed overweg. Ik bracht hem in contact met mijn vriend Boudewijn Büch, met wie hij het prima kon vinden. Ze spraken vaak over hallucinogene middelen. Boudewijn hield zich bezig met de invloed van opium op de literatuur. Kamerbeek, die in de jaren vijftig door professor Bastiaanse vanwege zijn oorlogstrauma was behandeld met drugs (ik meen LSD), stond open voor dit onderwerp, en hielp mee met het zoeken naar uitspraken hierover. Nu besef ik hoeveel plezier zij gehad zouden hebben van de huidige zoekmogelijkheden op internet.

Ik herinner mij allerhande uitstapjes. Zo trakteerde Kamerbeek ons op een bezoek aan de Alma Tadema-tentoonstelling in Leeuwarden in 1974: de Deense studente Astrid Jensen, mijn geliefde toen, Boudewijn Büch en mij. Onderweg, in de eerste klas, vertelde hij ons over zijn fascinatie voor de kleurrijke zeventiende-eeuwse schilder Torrentius. Dat duurde dan van Amsterdam tot Zwolle. En van Zwolle tot Leeuwarden liet hij ons delen in zijn bewondering voor Ernst Robert Curtius, bij wie hij gestudeerd had. Vlak na de oorlog had hij voorzichtig het contact met de auteur van het standaardwerk ‘Europaïsche Literatur und Lateinisches Mittelalter’ hernomen. Hij kon boeiend vertellen, en deed dat ook heel graag. Over zijn jeugd in Rotterdam, over de trams daar, over de diergaarde en de bibliotheek, over de oorlog, over zijn contacten met geleerden in binnen- en buitenland

Veel verhalen zijn me bijgebleven. In 1865 werd in Rotterdam het VIIe Taal- en Letterkundige congres gehouden. Beide grootvaders van Kamerbeek waren daarbij aanwezig. Een van hen vertelde later aan zijn kleinzoon, dat zij tijdens de pauze met een aantal mannen tegen een zijmuur stonden te wateren. Opeens voegde de vermaarde Jacob van Lennep zich bij hen, met de woorden: ‘Waar er zoveel staan te pissen, hindert ook mijn pissel niet!’ Jan Kamerbeek en zijn broer Coen groeiden op tijdens de eerste wereldoorlog. Jan was pro-Frans, Coen was pro-Duits. dat was helemaal niet zo vreemd, verklaarde hij, omdat er toen in Nederland nog een sterk anti-Engelse houding bestond, als erfenis van de Boerenoorlog. Daarom kozen velen hier volgens hem de Duitse kant. Zo kon het gebeuren, dat beide broertjes thuis die wereldoorlog uitvochten met tinnen soldaatjes.

Voor de oorlog leende hij eens een uitgave van de gedichten van Mallarmé. Het viel hem op dat er vele potloodaantekeningen in stonden. Na het bombardement bracht hij het terug (de Rotterdamse bibliotheek was behouden gebleven). Later besefte hij opeens, dat die aantekeningen van niemand anders dan van de dichter Leopold geweest konden zijn. Mallarmé was toen betrekkelijk onbekend, en de boeken van Leopold kwamen na diens dood in deze bibliotheek terecht. Helaas moest hij toen vaststellen dat de aantekeningen door een overijverige functionaris waren uitgegumd!

Jan Kamerbeek vertelde niet alleen met verve, hij las ook graag voor. Niet alleen op college, maar ook thuis. Hij heeft zijn echtgenote het complete oeuvre van Balzac en Proust voorgelezen. Hij hield ook veel van muziek, van Bach, Mozart, Schubert en Chopin vooral. Wanneer dit zo in een betoog te pas kwam, kon hij plotseling beginnen met het al fluitend weergeven van een of ander muziekstuk. Zelf speelde hij viool (hij heeft alijd betreurd dat Chopin geen muziek voor viool schreef). Ook in de schouwburg was hij regelmatig te vinden; over de talloze voorstellingen die hij zag, kon hij dan weer boeiend vertellen.

In 1976 ging hij met emeritaat. Zijn vrienden en collega’s stelden de huldebundel ‘Comparative Poetics’ samen. Een jaar later, op 8 augustus 1977, overleed hij, gezeten achter zijn bureau in zijn studeerkamer, aan een hartaanval. Hij had zijn gehele bibliotheek aan mij nagelaten – ik liet Boudewijn Büch en Harry G.M. Prick, die ik met hem in contact had gebracht, graag in deze erfenis delen.

Het werk van Kamerbeek heeft internationale erkenning gevonden. Zijn vriend J.C. Brandt Corstius (de grootvader van Jelle en Aaf) wijdde er een boeiende beschouwing aan. Ook Willem Otterspeer, die hem niet persoonlijk heeft gekend, heeft zijn werk in een lovend artikel treffend gekarakteriseerd. Hij en ik proberen al geruime tijd om subsidie te vinden voor een uitgave van zijn verzameld werk. Dat is tot op heden niet gelukt. We geven de moed niet op. Zo’n uitgave zou een passende hommage zijn aan een bijzonder mens: beminnelijk, bescheiden en buitengewoon erudiet. Ik denk nog steeds met liefde aan hem.