Etymologie: Moffrika

Door Michiel de Vaan

Moffrika zn. ‘Duitsland’

Scheldwoord voor ‘Duitsland’, opgekomen in de 19e eeuw, door kruising van mof ‘Duitser’ met Afrika. De oudste vindplaats is bij Bilderdijk (1820, Hekeldichten):

“Ik zal in Moffrika nog wel een Vetter vinden
(My aangewaaid hoe ’t wil) om ’t boêltjen saam te binden
Zoo groot of klein het zij; en daarmeê, Goede nacht!
‘Een Duitsche Vetter, hee! en buiten uw geslacht?'”

Vergelijk ook “iedere vernederduitschte en naar den rook smakende moffrikaansche braadworst” (1822; Bilderdijk, Vaderlandsche Letteroefeningen). Ook andere auteurs in Vaderlandsche Letteroefeningen bezigen de term, vgl. “Eene recensie van een Moffrikaansch boek” (1833), en “Moffricana” (1835), “een moffrikaantje” (1838) als titels van negatieve recensies van Duitse boeken. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw komt Moffrika in heel Nederland als term voor ‘Duitsland’ voor.

Hiermee komt in Noord-Duitsland de term Muffrika overeen, die ik in 1867 voor het eerst aantref in het artikel “Moorbilder aus Muffrika” in de bundel Die Gartenlaube (Leipzig, 1867) en in het Platduitse dialectverhaal Swinegel’s Lebensloop un Enne in’n Staate Muffrika. Eene putzige plattdütsche Historie in dörtein Kapitteln mit Bildern, door Willem Schröder. De term wordt regionaal nog steeds gebruikt.

Over de verklaring is al in de 19e eeuw druk gespeculeerd. Men legde verband met het feit dat een groot deel van het Hannoverse Eemsland oorspronkelijk een veengebied was, en dat het er ‘muf’ (Nederduits dial. muff) geroken zou hebben, en/of dat de (aangestoken) veenbranden het de naam ‘muf’ gegeven zouden hebben. In De Tijd van 5 maart 1884 wordt gewag gemaakt van een ingezonden brief aan het Berliner Tageblatt:

“In sommige streken van Hannover (Hannover, Lüneburg, Göttingen enz.) en ook in O. Friesland, noemt men het hannoversche Eemsland “Muffrica”, de bewonders “Muffen”.  Hiervan komt dan weer “Muffricanen” en “Muffricanisch”. (…) Moffrica is een woest, onvruchtbaar, zwak bevolkt heide- en veenland. (…) Opmerkelijk genoeg – het is nog altijd ’t Berl. Tageblatt, dat spreekt – ontmoet men ook in de nederlandsche provinciën Noord- en Zuid-Holland en Utrecht dezelfde uitdrukkingen van “Mof” en “Moffrika”, doch daar niet slechts voor het Eemsland, maar voor geheel Duitschland. (…) Het woord Duitscher wordt er slechts bij uitzondering gebruikt. Een beschaafde bedient zich echter van het woord “Mof” alleen, als hij schelden wil.”

De historicus Von Treitschke, in Deutsche Geschichte im 19. Jhdt., Band 3, p. 542 (1885) stelt:

“Nur das blutarme Volk im oberen Emslande, die vielverspotteten Muffrikaner, die von mühsam gedämpften Sanddünen oder aus verbranntem Moorboden ihre kärglichen Ernten gewannen, und die nicht minder armen Kleinbauern im Eichsfelde standen ganz unter der Leitung des Clerus, der sich aber auch hier noch behutsam zurückhielt.”

Door moderne historici wordt dit verhaal in grote lijnen onderschreven (Jones 2014, p. 468–470).

Toch blijft er een probleem: er zit een gat van bijna 50 jaar tussen de oudste Nl. vindplaatsen van Moffrika, dat van meet af aan heel ‘Duitsland’ aanduidt, en de oudste vindplaatsen van Muffrika, die op het ‘veengebied van het Eemsland’ slaan. Taco de Beer schrijft in 1899 dat Otto von Bismarck, die in 1884 het woord Muffrika bezigde, het waarschijnlijk in zijn studietijd in Göttingen (1832/33) had geleerd; maar bevestiging daarvan ontbreekt. Directe ontlening van Nederlands naar Duits of omgekeerd lijkt onwaarschijnlijk, maar het kan zijn dat de term eerst in de directe omgeving van het Emslander veengebied ontstond, en daarna enerzijds in het West-Nederlands (met herinterpretatie van Muff- als ‘Mof’), anderzijds wijder verspreid in het Platduits terecht gekomen is. Theoretisch is ook nog denkbaar dat Bilderdijk (1756-1831), die van 1797 tot 1806 in Brunswijk (Braunschweig, ten oosten van Hannover) woonde, de term Muffrika daar opgedaan heeft en aangepast aan mof. Maar mof ‘Duitser’ was al sinds de 16e eeuw in de Nederlanden bekend en er werd volop creatief mee werd omgegaan, getuige vormen als moffin, moffenbloed en Moffenland uit de 18e eeuw.

Lit.: Elizabeth B. Jones. 2014. The Rural “Social Ladder”. Internal Colonization, Germanization and Civilizing Missions in the German Empire. Geschichte und Gesellschaft 40, 457–492. Online downloadbaar.