Addenda EWN: stechelen

Door Michiel de Vaan

stechelen ww. ‘redetwisten, kijven’

In de moderne schrijftaal komen de spellingen stechelen en steggelen voor ‘redetwisten, vitten, kijven’ beide voor. De meeste oude attestaties noemen het woord expliciet een dialectwoord c.q. staan in dialectteksten, en vertonen een breed betekenisspectrum, o.a. ‘twisten; valsspelen, spieken; knoeien; mokken’. Zo vinden we stechelen, stachelen, steggelen (Kempen, 1850), gesteggel ‘geruzie’ (Noord-Brabant, 1878), gestecheld ‘valsgespeeld’ (Achterhoek, 1884), stechelen, steggelen ‘wringen, wrokken, dwars zijn’ (Antwerpen, 1899–1906), stechelen, stichelen ‘tegenspreken, krakeelen’ (Bree, B.-Limburg, 1914), gestachel ‘geruzie’ (Suriname, 1884; Roosendaal, 1923), en nu meestal stechele(n) in Noord-Brabant en Limburg. Afleiding: steggel (1871), stechel ‘kladpapiertje’ (1882).

Er is voorgesteld dat het woord aan het Duits ontleend is, maar daar bestaat geen stecheln maar alleen sticheln ‘prikken, stikken; spotten’, dat niet precies hetzelfde betekent en een andere klinker heeft. Hoogduits stacheln ‘prikken, prikkelen, ophitsen’ is in tegenstelling tot Nl. stechelen een overgankelijk werkwoord, en heeft ook een andere klinker.

De combinatie van –elen met voorafgaande ch doet vermoeden dat het ww. een frequentatief op –elen is bij een werkwoord van de vorm st_gen, vergelijk het stemloos worden van g voor l in bijv. regel-richel, stegel-stichel. Dan kunnen we stechelen verbinden met Vroegnieuwnl. steigen ‘doen stijgen’, Zuidnl. steegen tegengehouden zijn; aarzelen, niet weten wat doen’ (Vlaanderen), weerstaan, tegenstribbelen’ (Westvlaams), Hagelands stääge, Haspengouws steigen ‘tegengehouden worden en daardoor rijzen, doen rijzen, opwellen’. Steigen is verwant met Oudhoogduits ki-steichan ‘oprichten’ en kan verklaard worden uit een Proto-Germaans causatief *staigjan ‘doen stijgen, oprichten’ bij het ww. *steigan waaruit Nl. stijgen is ontstaan.

Stechelen is dus waarschijnlijk in de loop van de Middel- of Nieuwnederlandse periode als *steigelen, *stèègelen afgeleid van dialectvormen van steigen ‘doen stijgen’. De varianten stachelen, staggelen kunnen verklaard worden uit dialecten waarin de Nl. ei (als in klein en heilig) een ai, aai of aa geworden was (dat gebeurde vooral in de provincies Vlaams-Brabant en Antwerpen), zodat verkorting een a opleverde. Reeds Dupont (1914: 162) had overigens stechelen met steigeren verbonden, ook een afleiding van stijgen, en nam als grondbetekenis van stechelen ‘zich tegen iets verzetten’ aan.

Lit.: J. Dupont. 1914. Het dialect van Bree. Een phonetisch-historische studie. Deel II, Leuvense Bijdragen 12, 135–186.