Waarom zeggen mensen ‘hun hebben’?

Door Marten van der Meulen

Hun als onderwerp is waarschijnlijk voor veel mensen één van de ergste taalfouten. Het is ook één van de bekendste taalfouten: zo figureert hun in de titels van twee boeken over taalnormen (Hun hebben de taal verkwanseld van Jan Stroop uit 2011, en Hun hebben gelijk van Peter Burger uit 2004). En toch kom je geregeld zinnen tegen als “Hun hebben een heerlijke nacht gehad en uitstekende bedden.” of “Ook al heb ik het moeilijk, ik kan wel anderen steunen, hun doen dat ook bij mij“. In spreektaal is hun zelfs vrij gebruikelijk. Waarom gebruiken mensen hun eigenlijk als onderwerp? Daar zijn verschillende oorzaken voor geopperd.

Efficiëntie

De eerste mogelijke oorzaak is dat mensen op zoek gaan naar efficiëntie in hun taalgebruik. Je ziet die efficiëntie op verschillende manieren terug. Zo spreken mensen langere woorden vaak verkort uit. Luister maar eens: als iemand in een gewoon gesprek zegt ‘Ik kom eigenlijk voor je zus’, dan zal diegene het woord eigenlijk waarschijnlijk uitspreken als eik. Sneller, en dus efficiënter. Een andere manier van efficiënter met taal omgaan is om één woord meerdere functies te geven. Je zou kunnen denken dat je dan begripsproblemen krijgt: hoe weet je nou welke functie wordt bedoeld? Toch gaat dat vaak goed. We hebben zelfs al persoonlijke voornaamwoorden die in de functies onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp kunnen voorkomen. En die bovendien als bezittelijk voornaamwoord kunnen worden gebruikt. Kijk maar naar deze zinnen:

  1. Je/Jullie slaan mij (je/jullie is onderwerp)
  2. Ik sla je/jullie (je/jullie is lijdend voorwerp)
  3. Ik geef je/jullie een zoen (je/jullie is meewerkend voorwerp)
  4. Ik neem je/jullie boeken mee (je/jullie is bezittelijk voornaamwoord)

Op dit moment kun je in de standaardtaal hun nog niet in al die functies gebruiken, maar wel in de meeste. Volgens onder andere taalwetenschapper Jan Stroop is er een beweging gaande waarbij we ook langzamerhand het gebruik van het woord hun gaan uitbreiden. Dat is immers wel zo makkelijk.

Zwaar

Nu kun je je afvragen waarom we dan specifiek hun in meer posities willen gebruiken. Waarom breiden we het gebruik van ze bijvoorbeeld niet uit? Dat woord kan tenslotte nu al in bovenstaande zinnen 1-3 worden gebruikt. Ook hier is een mogelijke verklaring voor aangedragen, onder andere door Roeland van Hout. Hij stelt dat we een voorkeur hebben voor woorden die nadruk kunnen krijgen. Als je wil benadrukken dat de ene partij gewonnen heeft maar de andere niet, dan kun je zeggen ‘Wij hebben gewonnen, maar zij niet’. Je kunt echter niet zeggen ‘We hebben gewonnen, maar ze niet’. De persoonlijke voornaamwoorden we en ze kunnen nou eenmaal geen nadruk krijgen. Maar ‘Wij hebben gewonnen en hun niet’, dat lijkt dan weer wel te kunnen. Hun kan namelijk wel nadruk krijgen, in tegenstelling tot ze, en dat zou deels een verklaring kunnen zijn voor het gebruik van hun in dit soort zinnen.

Bezieling

Maar dat verklaart nog niet waarom mensen in dit soort gevallen niet gewoon zij gebruiken. Wij tegenover zij, dat bestaat al, en dat werkt toch prima? Nu komen we bij het laatste deel van de verklaring. De woorden hun en zij betekenen namelijk niet precies hetzelfde. Het woord hun kan namelijk alleen maar verwijzen naar zogenaamde bezielde of levende wezens, dat wil zeggen mensen en dieren. Bij de woorden zij en ze weet je niet of het over levende of niet-levende dingen gaat. Kijk maar eens naar de volgende zinnen:

5. Ik pakte de boeken van tafel. Ik gaf ze een stempel.
6. Ik pakte de boeken van tafel. Ik gaf hun een stempel. (klinkt raar)
7. Ik pakte de muizen van tafel. Ik gaf ze eten.
8. Ik pakte de muizen van tafel. Ik gaf hun eten.

Hun kan dus niet voor levend en niet-levend worden gebruikt, zij en ze kunnen dat wel. Maar onderzoek van Geertje van Bergen en een aantal andere taalwetenschappers liet zien dat zij en ze in de praktijk juist vooral voor niet-levende wezens worden gebruikt. Zo lijkt er dus een nieuw onderscheid te zijn geïntroduceerd in de taal. En dat onderscheid zou een deel van de verklaring kunnen zijn voor het gebruik van hun als onderwerp. In die functie slaat hun namelijk óók altijd op levende wezens, en zo kan dus opnieuw een nuanceverschil worden uitgedrukt. Een nuanceverschil dat ook al op andere plekken in onze taal zit: denk aan het verschil tussen wie en wat, en tussen met wie en waarmee.

Taalfouten worden vaak alleen maar veroordeeld. Dat is zonde: ze kunnen fascinerende kijkjes in de werking van taal en taalverandering geven. Hun als onderwerp is daar een fraai voorbeeld van.

Mogelijke opdrachten

1. Gebruik je zelf weleens hun als onderwerp? Sluit jouw gebruik aan bij de hierboven genoemde factoren?

2. Kun je nog andere woordparen in het Nederlands vinden waarbij (niet-) levendheid een rol speelt?

3. Kun je ook verklaringen vinden voor andere taalfouten, zoals als in plaats van dan?

Literatuur

Van Bergen, G; W. Stoop; J. Vogels; H. de Hoop (2011). Leve hun! Waarom hun nog steeds hun zeggen. Nederlandse Taalkunde 2011-1. 2-29 Online 

Hout, R. van (2003). Hun zijn jongens. Ontstaan en verspreiding van het onderwerp ‘hun’. In J. Stroop (red.). Waar gaat het Nederlands naartoe? Panorama van een taal. Amsterdam: Bakker, 277-286. Online

Van Oostendorp, Marc. “Ingeslikte woorden in je hoofd” in Onze Taal 2006-11, p. 326 Online

N.B. Dit stuk verschijnt in het kader van de Nieuwsbrief Neerlandistiek. Het bevat geen origineel onderzoek, maar is een vereenvoudigde weergave van recent onderzoek op het gebied van het Nederlands, speciaal bedoeld voor middelbare schoolleerlingen.

Zie ook de blogpost van Astrid Wijnands van april: Hoe oordelen leerlingen over hun hebben.