Etymologie: spinde, spint

Door Michiel de Vaan

spinde zn. ‘provisiekast’

Vroegmiddelnederlands spinde ‘provisiekast’ (1293, Oost-Vlaanderen). Mnl. spinde, spijnde, spende v. ‘provisiekast, voorraadkamer’. Nnl. spynde (1518), spende (1548) ‘uitdeling’, spende, spinde ‘provisiekast, -kamer’ (1599), spijnthiens ‘spindjes’ (1535), spint (1773). In dialecten: Vlaams spinde, Denderstreek spinne, spenne, Brabants en Limburgs spin, spen, etc., Overijssel spinde, spiende, spaen etc., Noordhollands spijn en etersspoin ‘etenskast’, Gronings spin(ne), spie ‘provisiekamertje, voorraadkast’.

Verwante vormen: Mnd. spinde v. o., spint o. ‘spinde’, Nhd. Spinde ‘kast’; MoWFri. spyn, spine ‘kast, etenskast’.

spint zn. ‘mand’

Oudnederlands spinde (ca. 1135), spent (1101–1200), spind (1187) ‘inhoudsmaat voor graan, kwartschepel’; Vmnl. spinthalster ‘inhoudsmaat voor graan’ (1272), spentachtelinc ‘een achtste van een spent’ (1276–1300), vierspint ‘een schepel’ (1297). Mnl. spint, spijnt, spent o. ‘inhoudsmaat voor graan’, Nnl. spint (1544) ‘inhoudsmaat’, spinte (1599) ‘mandje’.

Verwante vormen: Mnd. spint o. m. ‘kwartschepel’.

Spinde wordt algemeen verklaard als een leenwoord uit Middeleeuws Latijn spenda ‘voorraadsruimte, etenskasť, metonymisch ontstaan uit ‘giften, uitdeling’ (aan de armen). Voor spint ‘inhoudsmaat’ wordt hetzelfde Latijnse bronwoord aangenomen, dat zich dan specialiseerd zou hebben op een ‘kwartschepel’. Misschien betrof het de hoeveelheid graan die in een bepaalde tijd (een dag bijvoorbeeld) gezaaid (‘uitgegeven’) kon worden, of die als voldoende voor een bepaalde bedeling werd geacht.

Probleem daarbij is dat Latijn spenda niet bestaan lijkt te hebben, het wordt in geen woordenboek vermeld en komt ook niet in de Romaanse talen voor. Wel bestond Klassiek Latijn expendere ‘afwegen, uitgeven’, dat in de vorm *spendere al vroeg in de Westgermaanse talen ontleend moet zijn, wschl. als WGm. *spendōn of *spindōn. Daarvan getuigen o.a. Mnl. spinden ‘uitdelen, uitgeven’ (1351–1400), Nnl. spinden (1599), spynen (1762), Oudsaksisch spendon, Oudhoogduits spentōn, Mohd. spenden, Oudengels forspendan, MoE spend ‘uitgeven’. Een oude attestatie van de ww.-stam in het Nl. is. spintmalt ‘graan voor brood dat als aalmoes aan de armen werd uitgedeeld’ (ca. 1200), dat de stam van het ww. spinden bevat.

Het naast elkaar voorkomen in het Nederlands-Nederduits van *spindō- v. ‘voorraadkast’ en *spinda- o. ‘inhoudsmaat voor graan’, met een betekenisverschil dat uiterlijk in 1100 al aanwezig moet zijn geweest, doet vermoeden dat beide woorden binnen het Nederlands-Nederduits werden afgeleid van het ww. *spendōn / *spindōn ‘uitgeven, besteden’.

Lit.: J. Pauwels. 1934. Een stervend woord: de Spinde (met Kaart). Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 8.