Der zachtheid kindren, eeuwig goed en rein

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (130)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Die helden zijn het niet, wier streelend spreken
mensche’-oogen met de zachtste tranen vult,
wen eind’loos geve’ in zachtmoedig geduld
’t verharde in hun komt als mei-regen weeken.

’t Zijn zij, die hun hart opendoen en leken
daaruit in andrer, waar ’t mede is gevuld,
die òp-leve’, als een hart door hen vervuld
van liefde ontbloeit, en zonder dat bezweken
aan weggedronge’ en niet-verstane pijn.

En, schoon wetend welke wijsheid leert leven
leedloos, willen zij tòch niet anders zijn:
’t leed is hun lief, als liefde ’t heeft gegeven.

Zij schreien vaak, maar blijve’ in ’t harde leven
der zachtheid kindren, eeuwig goed en rein.

Equivalent

Taal is een eindeloze stroom van klanken. Luister naar hoe iemand spreekt wiens taal je niet verstaat: je kunt niet horen waar het ene woord begint of de andere ophoudt, laat staan welke woorden samen een woordgroep vormen, welke groepen zinnen. Het enige wat je kunt hopen is dat het op zeker moment ophoudt, al kun je zelfs dat in een vreemde taal niet perse zien aankomen.

Aan al die structuur die taal toch al heeft, voegt de dichter er nog een tweede aan toe. De lettergrepen worden niet alleen gegroepeerd in woorden, maar ook in combinaties van een beklemtoonde en een onbeklemtoonde lettergreep – voeten, de woorden van de dichter. Zoals versregels het equivalent zijn van zinsdelen en strofen van zinnen.

Diepste kloof

Het zijn strakker georganiseerde versies van wat we in de dagelijkse taal hebben, en ze bestaan bovendien parallel aan de gewone taalstructuur die een klassiek gedicht natuurlijk ook heeft. Het zijn onder andere de spanningen tussen die twee die deel lijken uit te maken van de esthetische bekoring van gedichten: dat voeten niet precies overeenkomen met woorden, of dat zinsdelen zich uitstrekken over hun taalkundige equivalenten. Voor dat laatste bestaat zelfs een speciale term: enjambement.

Het eigenaardige is: hoe kleiner de eenheid, hoe eerder dichters begonnen met de grenzen op te zoeken. Er is in het Nederlands waarschijnlijk nooit een dichter geweest die meende dat voeten en woorden precies moesten oplijnen. Enjambementen werden echter pas na verloop van tijd toegestaan en wat Henriette Roland Holst hier doet mochten dichters in haar tijd nog niet lang van zichzelf: een zin maken die in een sonnet vijf regels beslaat en daarmee de grens tussen regel 8 en 9 overbrugt – de diepste kloof die dichters kenden.

Alsnog harmonie

Ze maakt dat in zekere zin nog opvallender door de witregels te laten aansluiten op de gewonetaalstructuur en niet op die van dichtstructuur. Terwijl het rijm wel weet dat 9 eigenlijk bij 10 hoort: het oog krijgt dus ook nog eens een ander signaal dan het innerlijk oor.

Dat alles dan nog in een gedicht waarin Roland Holst nog maar eens haar motto uitspreekt: het gaat niet om dichterlijke mooisprekerij, maar juist om vasthoudendheid, hoeveel ongemak dat ook oplevert. Het moet een beetje knarsen, zegt de inhoud. En dat doet het volop, zegt de vorm. Zodat er alsnog harmonie is tussen de twee.