De evolutie van grammatica uit het zicht

Door Marc van Oostendorp

Weinig dingen zijn zo leuk als speculeren over de oorsprong van menselijke taal. Het is zo’n ingewikkeld systeem, waar komt dat allemaal vandaan, hoe is het ontstaan, hoe heeft het zich ontwikkeld? Omdat taal zo belangrijk is voor ons menszijn, lijkt het een vreselijk belangrijke vraag. Omdat er van zinnen al een fractie van een seconde nadat je ze hebt uitgesproken niets meer over is, is het vreselijk moeilijk te onderzoeken.

In een nieuw artikel in een bundel over ‘de erfenis van Darwin’ buigt de eminente Amerikaanse taalkundige Joe Emonds zich ondanks dit alles over dit onderwerp. Of er ook maar iets klopt van zijn gedachte valt volgens mij niet te onderzoeken. Maar hij komt met een vernuftig verhaal en interessante observaties.

Le en la

Een daarvan gaat over het verschijnsel dat alleen sommige elementen van betekenis een rol spelen in de grammatica. In het Nederlands en een heleboel andere talen maak je bijvoorbeeld verschil tussen enkelvoud en meervoud. Het werkwoord past zich bijvoorbeeld in dit opzicht aan het zelfstandig naamwoord aan: je zegt ‘de man loopt’ maar ‘de mannen lopen’. In het Frans speelt bijvoorbeeld het verschil tussen mannen en vrouwen ook zo’n rol in de grammatica: er is een verschil tussen ‘mon père est gentil‘ en ma mère est gentille‘. 

Getal en geslacht zijn duidelijk aspecten van ons betekenissysteem en ze kunnen dus ook in taal een rol gaan spelen in de syntaxis, ze kunnen gegrammaticaliseerd worden. In de voorbeelden die ik zojuist gaf gaat het om congruentie: een woord dat een bepaalde betekenis eigenlijk niet heeft (werkwoorden hebben geen verschil tussen enkel- en meervoud, bijvoeglijk naamwoorden niet tussen mannen en vrouwen) past zich aan een ander (zelfstandig naam)woord aan. Een andere vorm van grammaticalisatie is dat er speciale functiewoordjes zijn die zo’n verschil uitdrukken, zoals le en la in het Frans.

2, 3, 4

Maar niet alle aspecten van betekenis worden gegrammaticaliseerd. Er zijn bijvoorbeeld geen talen die in bijvoeglijk naamwoorden uitdrukken of het zelfstandig naamwoord waarmee ze congrueren op een natuurlijke manier tot stand is gekomen (de rivier is mooio) of het product is van menselijke arbeid (de hamer is mooia). Zoals er ook geen talen zijn die speciale functiewoordjes hebben die dat verschil uitdrukken.

Wel gegrammaticaliseerd worden in talen van de wereld, behalve dus getal en geslacht, onder andere relatieve afstand (het verschil tussen deze en die), het verschil tussen verleden, tegenwoordige en toekomende tijd, en tussen kleine (2,3,4) en grotere getallen.

Proeven

Waarom die? Volgens Emonds gaat het in ieder geval over categorieën die we lijken te delen met andere primaten. Het waren misschien, zegt hij, daarom het soort categorieën die de eerste mensachtigen beschikbaar hadden toen ze een syntactisch systeem kregen. Voor het verschil tussen natuurlijke en kunstmatige producten was het toen nog te vroeg, die hebben het dus nooit tot de grammatica gemaakt.

Maar om tot de grammatica te kunnen worden toegelaten moest er nog aan een ander criterium worden voldaan: het moest gaan om discretie, de mogelijkheid om duidelijke grenzen te trekken tussen a en b. Die hebben mensen, zegt Emonds, alleen in het visuele domein. Je kunt bijvoorbeeld in een oogopslag zien dat er vier dingen voor je liggen, maar het is veel moeilijker om vier geluiden tegelijkertijd te onderscheiden, laat staan om vier stokjes op je hand te voelen, of vier mensen tegelijk te ruiken of vier smaken te proeven.

Het gaat in de grammatica daarom alleen om dingen die de eerste, primitieve mensen konden zien: of iemand een jongetje is of een meisje, of hij alleen is of met meer, enzovoort. (Je zou zeggen dat het verschil tussen verleden en toekomst moeilijk te zien is, maar daar probeert hij ook een mouw aan te passen.) Onze voorvaders konden natuurlijk wel ruiken en proeven, maar de uitkomsten daarvan niet netjes in vakjes onderverdelen. En voor congruentie zijn duidelijke grenzen wel nodig.