Alleen Engels is niet internationaal

Door Marc van Oostendorp

Het nieuwe KNAW-rapport Nederlands en/of Engels. Taalkeuze met beleid in het Nederlands hoger onderwijs doet precies wat een rapport van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen moet doen: het pleit voor redelijkheid in een verhit debat. Redelijkheid is in dit geval: niet een van de twee mogelijkheden in het keuzeblokje en/of door te strepen, maar ze allebei te laten staan. Het is Nederlands en Engels en Nederlands of Engels. We moeten goed bekijken wat ieder vakgebied nodig heeft, en we moeten ervoor zorgen dat instellingen hun eigen keuze maken – zolang dit maar een beredeneerde keuze is.

Het rapport is een van de weinige op dit gebied die gebaseerd zijn op onderzoek. Zo wijst de commissie erop dat je niet moet denken dat je ineens internationaal bent geworden omdat je een zootje Britse en Chinese studenten binnen de muren hebt gehaald en de taal van je cursussen hebt aangepast. Wie college in het Engels wil geven, moet ook zorgen dat zijn studieprogramma op andere manieren internationaliseert: dat de studenten met hun verschillende culturele achtergronden zich allemaal voldoende thuis voelen in de collegezaal. Studenten moeten worden aangemoedigd en geholpen om te integreren, en docenten moeten zich bewust zijn van de specifieke complicaties die zich voordoen bij het leren in internationale omgevingen.

Minstens even belangrijk als een taalbeleid (‘iedere docent bij ons moet op niveau C2 in het Engels kunnen communiceren’) is een goed internationaliseringsbeleid.

Thuis

Toch is er daarom één ding jammer aan dit rapport en dat is dat de commissie aan het begin de reikwijdte van het rapport beperkt tot de twee talen Nederlands en Engels. De commissie zegt dat het dit doet ‘vanwege de context waarin deze verkenning is uitgevoerd’, maar ik denk niet dat welke context dan ook ons tot zulke keuzes moet dwingen. De commissie stipt twee mogelijke redenen aan waarom je onderwijs in een andere taal zou geven: omdat de studenten die taal leren óf omdat ‘de arbeidsmarkt’ daarom vraagt.

Als iets zorgen baart in de huidige situatie op de universteiten, of de richting die we op dreigen te slaan, is het dat wij Nederlanders een soort Amerikanen dreigen te worden die ervan uitgaan dat ‘internationaal’ betekent: Engelstalig. Het enige verschil is dat wij dan toevallig thuis ook nog Nederlands spreken, maar dat beschouwen we niet als een internationale taal.

Het hele pad

We draaien daarom onze rug nog steeds meer toe naar onze buren, de Duits- en de Franstaligen, om ons te draaien naar de Engelstalige wereld. Die wereld, met zijn eigen specifieke cultuur, zien we als de internationale. Ook met Fransen en Duitsers spreken we wel Engels. Dat geldt nog sterker voor nationale talen die verder weg gesproken worden, al dan niet in Europa, of zelfs met talen die door buitenlanders in Nederland gesproken worden. Zulke talen beschouwen we steeds meer als een zaak voor specialisten, die ‘talenopleidingen’ doen.

Ik denk daarom dat de internationalisering waarvan de commissie terecht zegt dat ze cruciaal is voor een succesvolle introductie van Engelstalig onderwijs tegelijkertijd moet betekenen dat ook andere talen serieuzer genomen worden. Dat er ook wordt nagedacht over de plaats van op zijn minst Frans en Duits, maar eigenlijk ook van Turks, van Arabisch en allerlei andere talen die bij ons op de campussen gesproken worden, waarin wordt nagedacht en waarin wetenschap wordt bedreven. Het verstandige beleid dat de KNAW-commissie voorstelt is een goede stap in de juiste richting; maar het is nog niet het hele pad.

Een attente lezer wijst me erop dat op p. 91 de volgende aanbeveling staat: ‘Onderken dat taalkeuze en taalbeleid niet alleen het Engels en het Nederlands hoeven te betreffen, maar dat het ook om andere talen kan gaan.’ Ook in hoofdstuk 4 wordt het punt twee keer expliciet genoemd met een verwijzing naar het University College in Utrecht waar een tweede vreemde taal verplicht is.