Steun Anne Vegter!

Door Roland de Bonth

Afgelopen vrijdag  vroeg een collega nieuwsgierig wat ik op mijn fietsstuur had zitten. Het is een knooppunthouder. Daarin kun je een kartonnen kaart stoppen met daarop de knooppuntnummers waar je achtereenvolgens naartoe wilt fietsen. Zo kun je eenvoudig een van tevoren uitgestippelde route rijden. Dat was echter niet de reden waarom ik de houder had aangeschaft. Ik stop er gedichten in, zodat ik die uit het hoofd kan leren op de 11,1 km die ik van huis naar school en vice versa moet afleggen. Mijn collega vertelde me dat zij zelf maar één gedicht uit het hoofd kende, van W.B. Yeats. Spontaan droeg zij het daarop vloeiend voor.

Op Neerlandistiek wordt gelukkig veel aandacht geschonken aan poëzie. Dagelijks is er een – aan de actualiteit of aan de tijd van het jaar gerelateerd – gedicht te lezen en met een zekere regelmaat verschijnt er een aflevering van Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten.  Het lezen van gedichten is een mooie bezigheid, maar gedichten komen pas echt tot leven als we ze horen.

In het ten gehore brengen van gedichten zijn ruwweg drie niveaus aan te wijzen. Als we een vergelijking maken met het gildesysteem dan is het voorlézen van een gedicht de laagste trede. Hier is de ‘leerling’ aan het woord. De woorden krijgen klank, zodat rijm, metrum en ritme op de voorgrond treden. Anders dan bij proza kost het goed voorlezen van een gedicht meer moeite. Dit zal dan ook herhaalde malen geoefend dienen te worden.

Als een leerling het voorlezen volledig beheerst, kan hij een trede hoger klimmen. Als ‘gezel’ kan hij zich nu richten op het voordrágen van een gedicht. In een video laat de dichter Daniël Vis horen waaruit het verschil bestaat tussen het voorlézen en het voordrágen van moderne poëzie.

De laatste en hoogste trede is die van het uit het hoofd leren van gedichten. Wie dat kan, mag zich met recht ‘meester’ noemen. Vroeger was het niet ongebruikelijk in het voortgezet onderwijs om poëzie te memoriseren, maar tegenwoordig zijn de meeste middelbare scholieren niet in staat om ook maar één enkel gedicht zonder blaadje op te zeggen. Dat is jammer, want het leren van gedichten heeft een aantal voordelen.

In de eerste plaats is het een goede training voor het geheugen. Wanneer een gedicht eenmaal geleerd is, moet het overigens met enige regelmaat – liefst dagelijks – hardop herhaald worden om het langdurig te onthouden. Beroemd is het verhaal van de weduwe van de Russische dichter Osip Mandelsjtam, die het oeuvre van haar door Stalin gevangengezette man veilig wist te stellen door zowel zijn proza als poëzie van buiten te leren.

In de tweede plaats is het prettig om altijd een gedicht paraat te hebben. Een gedicht  kan herinneringen oproepen aan een bijzondere gebeurtenis of aan een dierbaar iemand en op die wijze troost bieden. Maar gedichten kunnen ook voor vermaak zorgen, zoals het humoristische gedicht Aan Rika van Piet Paaltjens. Bekijk maar eens de video van Ab Gietelink en Theater Nomade.

In de derde plaats is het uit het hoofd leren van poëzie ook een spel. Er zit een uitdaging in om een gedicht te memoriseren. Omdat het aantal versregels over het algemeen te overzien is, ligt dat doel binnen ieders bereik. Arnon Grunberg loofde een glas wijn uit aan eenieder die op 23 juni 2012 het gedicht ‘Aan Rika’ foutloos kon voordragen.  Ik stelde mijn leerlingen uit 5V een zelfgebakken appeltaart in het vooruitzicht als zij dat kunststukje ook konden uitvoeren. De taart viel in de smaak.

Hoe kun je gedichten nu het beste uit het hoofd leren? Op het internet worden verschillende stappenplannen gepresenteerd, bijvoorbeeld die van Erik Weijers. Met zijn methode was het hem mogelijk om in twee weken tijd een gedicht van 108 regels te onthouden.

Laten we er massaal toe overgaan onze leerlingen gedichten uit het hoofd te laten leren, zodat het doel dat Anne Vegter zich bij haar aanstelling als Dichter des Vaderlands in 2013 stelde – ‘’dat elke Nederlander over vier jaar minstens tien gedichten uit zijn hoofd kent’’ – alsnog bewaarheid wordt.