Michiel de Vaan: De Neerlandistiek over 25 jaar

Door Michiel de Vaan

Over vijfentwintig jaar heb ik bijna de dan geldende pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Als lichaam en geest nog meedoen, breekt dan de productiefste periode van mijn wetenschappelijk leven aan. Tenzij de supercomputer tegen die tijd mijn kennis en creativiteit heeft ingehaald, wat niet denkbeeldig is. Hoe ‘de Neerlandistiek’ er dan in zijn geheel uitziet, weet ik niet, maar ik kan wel een verlanglijstje neerleggen.

Op dat lijstje staat maar een ding, maar wel iets groots: dat alle teksten die we als Nederlands beschouwen (eigenlijk dekt de tot in de tweede helft van de negentiende eeuw gangbare term Nederduytsch de lading beter) uitgegeven en doorzoekbaar zijn. Allemaal. Thuis aan mijn bureau. En vooral: in hun originele spelling en opmaak. Op dit moment is dat slechts voor de teksten tot 1300 het geval. Ik weet het, de hoeveelheid literaire en vooral niet-literaire teksten van na 1300 is onvoorstelbaar groot. Inderdaad, het opsnorren, lezen, begrijpen, transcriberen en diplomatiek uitgeven van alle charters, stadsrekeningen, cijnsregisters, gerechtsprotocollen, dagboeken, annalen, zeemansbrieven, vondelingbriefjes en andere handgeschreven teksten, uit alle gewesten, dat is een onnoemelijk grote hoeveelheid werk. Niemand zal al die teksten in een leven gaan lezen. Maar een computer kan ze doorzoeken, taalkundigen en historici kunnen er nieuwe ideeën door krijgen, en cineasten kunnen er muziek onder zetten.

Momenteel is er slechts een klein, selectief corpus voor de 14e eeuw beschikbaar. Er bestaat een aantal lokale en regionale initiatieven voor tekstuitgaves uit de latere periodes, zoals voor de Drentse oorkonden, maar een betrouwbaar overzicht is voor de 15e, 16e en 17e eeuw nog helemaal afwezig. Wel worden er veel primaire bronnen gelezen en getranscribeerd door historici, genealogen en juristen, maar vaak worden ze hertaald in Modern Nederlands. Da’s handig voor historici, maar voor taalkundigen een regelrechte ramp.

Ik weet niet waar de Neerlandistiek begint, ik weet wel dat ze nergens ophoudt. Voor een goed begrip van de taalgeschiedenis van het Nederlands zijn op zijn allerminst de taalsituatie in Friesland, in Nedersaksen, in Westfalen en in het Rijnland van elementair belang. Voor het Fries wordt verhoudingsgewijs goed en structureel gezorgd, maar voor de aan Nederland en België grenzende delen van Duitsland bestaan ook alleen maar deelcorpora van historische teksten. Mijn wens strekt zich dus ook uit tot die gebieden.

Ik hoor sommige mensen meteen vragen waar een dergelijke verzamelwoede goed voor zou zijn. Mijn eigen belang is simpel: meer weten over wat er waar en wanneer gebeurd is in (de dialecten die we nu als) het Nederlands (betitelen). Maar misschien belangrijker: de ervaringen van de afgelopen honderdduizend jaar hebben ons geleerd dat nieuwe middelen steevast nieuwe menselijke creativiteit in het leven roepen. Laten we er dus gewoon op vertrouwen dat dit een zinvolle onderneming is, waarvoor ons later, over 25 en over 250 jaar, niet alleen Neerlandici dankbaar zullen zijn.