Lucas Seuren: Toevallig Neerlandicus

Door Lucas Seuren

Ik ben geen Neerlandicus—om John F. Kennedy maar wat te parafraseren. Op de middelbare school was Nederlands niet bepaald mijn favoriete vak. Ik heb me door mijn leeslijst gebluft door, net als veel van mijn medescholieren, een stapel samenvattingen te lezen. Ongetwijfeld had mijn docent het door—hij was absoluut een Neerlandicus—maar liet hij me ermee wegkomen.  Eenmaal aan de universiteit had ik zelfs niks meer met de Neerlandistiek te maken: ik was sterrenkunde gaan studeren. In plaats van Vondel  en de Tachtigers wilde ik Newton en Einstein lezen en begrijpen.

Ook toen ik na vier jaar mijn astronomische ambities opgaf kwam ik niet bij Nederlands terecht. Ik ging eerst Communicatie studeren. Pas uit verveling besloot ik wat literatuurvakken erbij te gaan; de Gouden Eeuw greep me, misschien  nog wel meer vanwege de historische dan de literaire betekenis. Tot de moderne letterkunde ben ik nooit gekomen. Ik haakte af na, of eigenlijk al tijdens, de Verlichting. Wie in mijn boekenkast kijkt zal dan ook weinig Nederlandse schrijvers vinden; de literatuur is Brits, Amerikaans, of Frans.

Via de taalkunde ben ik uiteindelijk toch verzeild geraakt in wat dan officieel de Neerlandistiek heet: mijn onderzoek gaat over het gebruik van de Nederlandse taal. Maar dan wel met de nadruk op taal. Het had net zo goed over het Engels kunnen gaan—sterker nog, een van mijn masterscripties ging over het Engels. Mijn tweede ging weliswaar over het Middelnederlands, maar dan ook alleen omdat ik tegen een taalfenomeen opliep waarvoor de leerboeken een in mijn ogen (en ook in die van mijn begeleiders) slechte verklaring boden.

Voor mijn promotieonderzoek lees ik maar weinig over het Nederlands. De reden daarvoor is simpel: er is verdraaid weinig bekend over het Nederlands. Dat klinkt gek: Nederland heeft zoals mijn begeleider graag mag zeggen de hoogste concentratie taalkundigen ter wereld. Maar die werken in zoveel verschillende disciplines, dat het Nederlandse gesprek nog maar amper verkend is. Het leeuwendeel van mijn bibliografie gaat over het Engels, en de rest over het Frans, Duits, Fins, Koreaans, Italiaans, Deens, IJslands, etc. Met de focus op zo’n breed talenpallet is het gek om mezelf Neerlandicus te noemen, simpelweg omdat mijn proefschrift toevallig over het Nederlands gaat.

Met de toenemende globalisering—in weerwil van reactionaire politici—is dit misschien een ontwikkeling die niet te stoppen is. Om de Nederlandse taal te begrijpen en de waarde van dat begrip aan te tonen zullen we het moeten spiegelen aan die duizenden andere talen in de wereld. Dat betekent niet dat er minder aandacht moet zijn voor het Nederlands, en we de Neerlandistiek in die zin niet meer nodig hebben. Maar je hoeft geen Neerlandicus te zijn om je te interesseren voor en te werken aan het Nederlands. Als we de taal in een breder intercultureel perspectief plaatsen, hoef ik over 25 jaar hopelijk niet terug te grijpen op een handjevol papers als ik weer een vraag krijg over een of ander vaag Nederlands fenomeen.