Ine Kiekens: Een pleidooi voor verwondering en bewondering

Door Ine Kiekens

Eerst en vooral wil ik van de gelegenheid gebruikmaken om alle medewerkers die achter Neerlandistiek staan van harte te feliciteren met dit 25-jarige jubileum. De toewijding en de inzet waarmee dit team dag in dag uit blogposts verzorgt en mededelingen omtrent de neerlandistiek de wijde wereld van het web instuurt, is niet te onderschatten. Ik hoop daar binnenkort weer vaker mijn steentje aan bij te dragen.

Hoe zie ik de toekomst van de neerlandistiek? Ik moet toegeven dat bij de uitnodiging om dit stuk te schrijven mijn gedachten onwillekeurig afdwaalden naar de negatieve berichten over de neerlandistiek die met de regelmaat van de klok in de media te vinden zijn. Er zou steeds minder aandacht en interesse zijn voor het Nederlands en dat laat zich volgens deze negatieve berichtenstroom op verschillende vlakken zien: de inschrijvingscijfers voor een academische opleiding Nederlands dalen, de verengelsing en internationalisering zijn aan een opmars bezig, er komt steeds minder geld vrij voor onderzoek waarin het Nederlands centraal staat omdat alles interdisciplinair moet zijn, scholieren én hun leerkrachten zouden niets meer om het vak geven,… Het beeld dat tegenwoordig van de neerlandistiek wordt geschetst, is helaas niet zo fraai te noemen.

Ik geloof dat het voor iedereen wel duidelijk is dat de neerlandistiek zich niet in rimpelloze wateren bevindt. Ik zou dus de gelederen kunnen vervoegen die een gezamenlijke klaagzang hebben ingezet, melancholisch hummend en grommend dat het vroeger beter was en dat ‘men’ nu radicaal verkeerd bezig is.

Ik geloof echter niet in een dergelijk pessimisme, en zeker niet als het de neerlandistiek betreft. Ik ga de negatieve teneur van de berichten allerminst ontkennen, maar ik vind het belangrijk om ook op een paar zaken te wijzen die tegenwoordig veel te weinig voor het voetlicht worden gehaald. Ik heb met dit stuk geen wetenschappelijk pretenties op het oog, noch wens ik een allesomvattend beeld te schetsen. Ik wil enkel een paar persoonlijke ervaringen delen die naar mijn mening de sleutel vormen voor een prachtige toekomst voor de neerlandistiek, want ik ben ervan overtuigd dat die ons inderdaad te wachten staat. Centraal in alles wat ik hier te vertellen heb, zijn de begrippen verwondering en bewondering.

Al enkele maanden heb ik het voorrecht om op twee compleet verschillende manieren met de Nederlandse taal bezig te zijn. Ik leg in het Ruusbroecgenootschap de laatste hand aan mijn proefschrift in de historische Nederlandse letterkunde én ik doceer bij Linguapolis Nederlands aan anderstalige nieuwkomers. Het zijn twee uiteenlopende functies waarin ik elke dag geconfronteerd wordt met verwondering en bewondering voor het Nederlands.

In mijn proefschrift ga ik na hoe een veertiende-eeuwse Middelnederlandse tekst zich (in gewijzigde vormen) over heel West-Europa kon verspreiden. Natuurlijk is dat geen onderzoek dat zich louter op het gebied van de neerlandistiek situeert, en ik bewandel dus ook de paden van de cultuur- en receptiegeschiedenis en de religiewetenschappen. Eerlijk gezegd beschouw ik die interdisciplinariteit niet als een probleem, laat staan als een bedreiging voor de neerlandistiek. Hoewel dat niet de enige focus in mijn dissertatie is, vind ik het buitengewoon fascinerend hoe een man bijna 650 jaar geleden besloot om de tijd te nemen om in zijn moedertaal een tekst over deugden neer te pennen. Niet zomaar voor zijn plezier, hij had namelijk een belangrijke taak te vervullen: hij zou zijn tekst gebruiken om aan de hand ervan zijn leerlingen die net in het klooster waren ingetreden in deugdzaamheid te introduceren. Ik kan me hem zo levendig voorstellen aan zijn schrijftafel: nadenkend waarover hij zou schrijven en hoe hij de leerinhoud op de best mogelijke manier aan zijn leerlingen zou overbrengen.

Dat we tegenwoordig nog kunnen lezen waar die man eeuwen geleden voor ging zitten en ongetwijfeld menig uur voor heeft uitgetrokken, vind ik buitengewoon fantastisch. En ik ben daarin niet de enige. Enige weken geleden had ik een aantal studenten dat Nederlands aan het leren is op bezoek in de bibliotheek van het Ruusbroecgenootschap. Voor de gelegenheid had ik een aantal bijzondere stukken laten klaarleggen, waaronder ook enkele manuscripten in het Middelnederlands. Hun blik toen ze daadwerkelijk een paar woorden konden ontcijferen, sprak boekdelen en ik voel nog steeds een warm gevoel opwellen wanneer ik aan dat moment terugdenk. Ook het brede publiek laat zich duidelijk graag verwonderen over het Nederlands. De afgelopen maanden vond een Hadewijch Festival plaats, dat aan de dertiende-eeuwse Middelnederlandse dichteres en mystica Hadewijch gewijd was. Een van de avonden die in het kader van het festival werd georganiseerd, stond in het teken van Hadewijchs poëzie en hoe moderne dichters zich door Hadewijchs woorden hadden laten inspireren. Die avond was ik niet enkel getuige van enkele prachtige staaltjes poëzie, maar ook kon ik zien hoe een ruim publiek was komen opdagen om van deze symbiose van historische en moderne Nederlandstalige poëzie te genieten. Bestaat er iets mooiers, dan mensen op een dergelijke manier te enthousiasmeren voor ons vakgebied?

Misschien wel. Opnieuw spreek ik uit eigen ervaring. De studenten aan wie ik op dit moment lesgeef, hebben al een gedegen basiskennis Nederlands. Ze kunnen zich uitdrukken in enkele concrete situaties, bijvoorbeeld de weg vragen, boodschappen doen of naar de dokter gaan. Wat ik hun leer, is een meer abstracte woordenschat: ze leren hun emoties uiten en hun mening over een diversiteit aan onderwerpen geven. Mijn studenten weten dat ik van poëzie hou en soms laat ik hen in de les een kort gedicht lezen dat aan het thema dat we bespreken gerelateerd is. Sommige onder hen voelen zich daardoor aangesproken om zelfstandig Nederlandstalige dichters te lezen en zelf ook in hun pen te klimmen. En zo komt het voor dat ik, naast de huistaken die ze moeten maken, af en toe een gedicht in mijn mailbox mag ontvangen. Elke keer weten ze mij te verwonderen door hun verrassende blikken op onze wereld en de manier waarop ze die in Nederlandstalige woorden weten te gieten. Ik kan het niet anders noemen dan hartverwarmend om getuige te mogen zijn van hoe zij met de Nederlandse taal aan de slag gaan. Het is nog toekomstmuziek, maar ik kijk uit naar de dag waarop ze hun eerste bundel gaan publiceren. Want dat zit er zeker aan te komen, als ze voldoende kansen krijgen om zich verder te ontplooien.

Ik ben me er terdege van bewust dat mijn bijdrage een heel persoonlijke toon heeft gekregen en uiteindelijk veel langer is geworden dan ik zelf voor ogen had. Iets over verwondering en bewondering, denk ik. Waar het hart van vol is, loopt de mond nu eenmaal van over. Wat ik hoop te hebben duidelijk gemaakt, is dat we in de toekomst nog veel meer op deze verwondering en bewondering moeten inzetten. De neerlandistiek heeft er baat bij dat we ons nadrukkelijker gaan profileren en dat op twee manieren.

Ten eerste ben ik van mening dat we nog duidelijker mogen laten zien dat we trots zijn op wat we doen. Voor mij voelt het aan alsof we ons nog steeds te veel in een hoekje willen laten drukken. Ik ben er trots op dat ik neerlandica en mediëviste ben, maar zijn die benamingen werkelijk van belang? En wat maakt het uit dat we verschillende disciplines combineren? Doet dat iets af aan het feit dat we een bijdrage willen leveren aan de neerlandistiek? Helemaal niet. Het belangrijkste in mijn ogen is dat we ons materiaal zo goed mogelijk tot hun recht laten komen en dat kunnen we doen door ze op verschillende manieren te benaderen, niet door te discussiëren of het wel legitiem is om andere methoden te adopteren. Hetzelfde geldt voor de steeds verder oprukkende internationalisering. Is het problematisch om onze resultaten in een andere taal dan het Nederlands te willen verspreiden? Natuurlijk niet. Hoe meer mensen we kunnen informeren en enthousiasmeren, hoe beter. Ik ben ervan overtuigd dat we op die manier tot verrassende inzichten kunnen komen. Ik denk bijvoorbeeld aan parallellen tussen de Nederlandstalige en Arabische mystiek, die er zeker zijn, maar tot nog niet afdoende bestudeerd werden. Maar als we niet de stap naar internationalisering zetten, is het onmogelijk om dergelijke zaken in kaart te brengen. Natuurlijk mogen we de communicatie in het Nederlands zelf niet uit het oog verliezen, maar niets staat in mijn ogen de combinatie van een Nederlandstalige en anderstalige communicatie in de weg.

Ten tweede is het volgens mij noodzakelijk om steeds meer doelgroepen aan te spreken, ook doelgroepen waaraan we aanvankelijk niet zouden denken. Zoals aangegeven hebben wij ontzettend veel materiaal om trots op te zijn en het is al uit verschillende gelegenheden gebleken dat uiteenlopende groepen van mensen interesse tonen voor wat wij doen. Ik ben ervan overtuigd dat het essentieel is om nog meer op deze wetenschapsdisseminatie in te zetten en mensen op die manier te blijven enthousiasmeren voor ons vakgebied, en dat op verschillende niveaus. In de eerste plaats is het warm maken voor een opleiding Nederlands uiteraard een belangrijke taak. Ik herinner me bijvoorbeeld levendig welke docenten en proffen me vanuit hun enthousiaste manier van lesgeven hebben aangespoord om het pad van de Nederlandse taal en literatuur steeds verder te bewandelen. In België – ik weet niet hoe de situatie in Nederlands is – bestaan daarnaast tal van mogelijkheden om toekomstige studenten warm te maken voor wat wij doen: abituriëntendagen, de Wetenschapsdag en -week,… Het vraagt natuurlijk inspanningen om aan dergelijke evenementen deel te nemen, maar het vormt mijns inziens net een van de kerntaken van ons werkpakket om jonge mensen te willen opleiden en onze kennis aan hen over te dragen. We moeten echter niet alleen rekening houden met studentenaantallen. Ook onder het brede publiek bestaat er veel interesse voor wat wij doen. Laten we daarom als academici collectief niet enkel meer de a1-publicaties nastreven, maar ook aandacht hebben voor de activiteiten die geen punten opleveren in de overgewaardeerde ranking. Laten we ook eens iets schrijven voor een populairwetenschappelijk tijdschrift, of een lezing geven voor een breed publiek, of een (web)tentoonstelling organiseren. Laten we de wereld buiten academia eens tonen wat voor mooie zaken wij doen. We kunnen ongetwijfeld op veel belangstelling rekenen. En tot slot, laten we binnen dat kader van het bredere publiek ook extra investeren in anderstalige nieuwkomers die met een opleiding Nederlands bezig zijn of die hebben afgerond. Laten we multiculturaliteit voor de verandering eens als een echt voordeel zien. Ik ben er zeker van dat deze kruisbestuiving van verschillende culturen de neerlandistiek belangrijke nieuwe impulsen zal geven, maar dan moeten wij onze nieuwkomers eerst alle kansen bieden om aan onze initiatieven deel te nemen en zelf nieuwe ideeën daaromtrent te formuleren.

Natuurlijk is het niet altijd even gemakkelijk. De broodnodige financiering komt helaas niet als manna uit de lucht vallen. Maar het heeft geen zin om ons bij de minste tegenwind in een ivoren toren op te sluiten en te mokken over wat beter zou kunnen gaan. Dan kunnen we de neerlandistiek beter gewoon afschaffen. Net zoals een hele hoop andere wetenschappen. Het komt erop aan om uitdagingen niet uit de weg te willen gaan. En dat hoeft niet altijd veel geld te kosten. Ik denk maar aan een bekende website die nu al 25 jaar het uithangbord van de neerlandistiek vormt. En die dat hopelijk nog zeker 25 jaar zal zijn.

Mijn beste gelukwensen, Neerlandistiek!

 

Dit bericht is geplaatst in column, opinie met de tags . Bookmark de permalink.